ECLI:NL:RBDHA:2026:5289

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 maart 2026
Publicatiedatum
13 maart 2026
Zaaknummer
NL25.36978
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 64 Vreemdelingenwet 2000Art. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopige voorziening tegen uitzetting vreemdeling

Verzoeker heeft op 6 augustus 2025 een afwijzend besluit ontvangen van de minister van Asiel en Migratie inzake de toepassing van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Hiertegen maakte verzoeker op 7 augustus 2025 bezwaar en verzocht tegelijkertijd om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen totdat het bezwaar is behandeld.

De minister heeft bij brief van 26 februari 2026 laten weten zich niet te verzetten tegen de toewijzing van deze voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter ziet geen beletselen om het verzoek toe te wijzen en bepaalt dat de minister verzoeker niet mag uitzetten zolang het bezwaar nog niet is beslist.

Daarnaast wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker, vastgesteld op € 907,-, en het griffierecht van € 194,-. De uitspraak is openbaar en er staat geen hoger beroep of verzet tegen open.

Uitkomst: De voorzieningenrechter verbiedt de minister verzoeker uit te zetten totdat op het bezwaar is beslist.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.36978

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam verzoeker] , verzoeker,

geboren op [geboortedatum verzoeker]
van [land] nationaliteit,
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. J. Singh),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening.
1.1.
In het (primaira) besluit van 6 augustus 2025 heeft de minister verzoekers aanvraag om toepassing van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) afgewezen.
1.2
Op 7 augustus 2025 heeft verzoeker hiertegen bezwaar gemaakt.
1.3
Bij verzoekschrift van 7 augustus 2025 heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen dat uitzetting achterwege wordt gelaten tot op het bezwaar is beslist.
1.4
Bij brief van 26 februari 2026 heeft de minister de voorzieningenrechter bericht zich niet te verzetten tegen toewijzing van de gevraagde voorziening.

Beoordeling door de rechtbank

2. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan hangende een bezwaarprocedure de voorzieningenrechter van de rechtbank op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
3. Nu de minister zich niet verzet tegen de toewijzing van de gevraagde voorziening en de voorzieningenrechter ook overigens geen beletstelen ziet om dit verzoek toe te wijzen, zal de voorzieningenrechter het verzoek toewijzen in die zin dat de minister verzoeker niet mag uitzetten totdat op het bezwaar is beslist.
4. Omdat het verzoek wordt toegewezen, krijgt verzoeker een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 907,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 907,- en een
wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;
  • gebiedt de minister om zich te onthouden van iedere maatregel tot verwijdering of uitzetting buiten het grondgebied van Nederland van verzoeker en van voorbereidingen tot zodanige maatregelen, totdat op het bezwaar is beslist;
  • bepaalt dat de minister het griffierecht van € 194,- aan verzoeker moet vergoeden;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van € 907,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Sijens, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M.S.G. van der Werf, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.artikel