ECLI:NL:RBDHA:2026:5303

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 maart 2026
Publicatiedatum
13 maart 2026
Zaaknummer
NL26.11371
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b Vw 2000Art. 50a Vw 2000Art. 231 Wetboek van StrafrechtArt. 5.1b Vb 2000Art. 5.1a Vb 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen maatregel van bewaring vreemdeling wegens onttrekkingsrisico

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van een vreemdeling tegen de maatregel van bewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000. De eiser stelde onder meer dat het strafrechtelijk voortraject onrechtmatig was, het model M122 niet was uitgereikt, de ophoudingstermijn was overschreden, en dat de gronden voor bewaring onvoldoende waren.

De rechtbank oordeelde dat het strafrechtelijk voortraject niet ter beoordeling van de bewaringsrechter ligt en dat het model M122 wel degelijk op de dag van aanhouding was uitgereikt, hoewel het laat aan het dossier was toegevoegd. De ophoudingstermijn van zes uur was niet overschreden, aangezien de ophouding 5 uur en 35 minuten duurde.

De rechtbank stelde vast dat de zware gronden voor bewaring, waaronder het onttrekken aan toezicht en het niet opvolgen van een terugkeerbesluit, feitelijk juist zijn en voldoende grond bieden voor de maatregel. Het beroep op een lichter middel faalde vanwege het reële onttrekkingsrisico. Ook de medische omstandigheden van eiser werden voldoende meegewogen, zonder dat detentie onredelijk bezwarend werd geacht.

De rechtbank concludeerde dat geen sprake was van onrechtmatigheid in de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.11371

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. M. Luijendijk),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. E. Özel).

Procesverloop

Bij besluit van 1 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 10 maart 2026, met behulp van een beeldverbinding, op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Is het strafrechtelijk voortraject onrechtmatig geweest?
1. Eiser voert aan dat in het proces-verbaal van aanhouding wordt verwezen naar een aanvullend proces-verbaal (namelijk het proces-verbaal van bevindingen). Dit bevindt zich niet in het dossier, waardoor het dossier onvolledig is.
1.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht stelt dat uit het proces-verbaal van aanhouding voldoende blijkt dat eiser is aangehouden in een strafrechtelijk kader, namelijk op grond van artikel 231, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht. Dit is voor de bewaringsrechter voldoende. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) ligt de rechtmatigheid van het strafrechtelijk voortraject niet bij de bewaringsrechter ter beoordeling voor. [1] De beroepsgrond slaagt niet.
Is het model M122 uitgereikt aan eiser?
2. Eiser voert aan dat het model M122 ten onrechte ontbreekt in het dossier en dat hij dit document ook nooit overhandigd heeft gekregen. Uit het proces-verbaal van ophouding en onderzoek (M105-A) blijkt ook niet dat dit model aan eiser is uitgereikt.
2.1.
De rechtbank overweegt dat volgens paragraaf A5/6.12 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) de minister door middel van het model M122 de vreemdeling op de hoogte stelt dat hij bij beëindiging van zijn strafrechtelijke detentie op grond van artikel 50a, eerste lid, van de Vw 2000, naar een plaats bestemd voor verhoor wordt overgebracht. Tijdens de zitting heeft de minister toegelicht dat het model M122 op 19 januari 2026 aan eiser is uitgereikt, maar dat dit pas op 10 maart 2026 aan het dossier is toegevoegd. De rechtbank merkt op dat de minister dit laat aan het dossier heeft toegevoegd, nu dit is gebeurd op 10 maart 2026 – dezelfde dag als de behandeling van eisers beroep ter zitting. Dit levert desondanks geen gebrek op. Uit het model M122 volgt immers dat deze op 19 januari 2026 (de dag dat eiser is aangehouden) is uitgereikt en is ondertekend door eiser. Eiser is hier dus van op de hoogte gesteld. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de ophouding te lang geduurd?
3. Eiser voert aan dat de ophouding te lang heeft geduurd. Eiser is op 1 maart 2026 om 10:20 uur overgebracht naar een plaats bestemd voor verhoor en is pas om 16:45 uur in bewaring gesteld. Dit is een overschrijding van de termijn van zes uur, zoals volgt uit artikel 50a, eerste lid, van de Vw 2000.
3.1.
De rechtbank merkt op dat uit artikel 50a, eerste lid, van de Vw 2000 volgt dat de termijn van ophouding begint te lopen op het moment dat een vreemdeling is aangekomen op de plaats bestemd voor verhoor en dat de ophouding niet langer dan zes uur mag duren. [2] Uit het proces-verbaal van ophouding en onderzoek blijkt dat eiser op 1 maart 2026 om 11:10 uur is aangekomen op de plaats bestemd voor verhoor en dat de ophouding om 16:45 uur is beëindigd met de oplegging van de maatregel van bewaring. Hierdoor heeft de ophouding in totaal 5 uren en 35 minuten geduurd. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat geen sprake is van overschrijding van de gestelde termijn van zes uren. De beroepsgrond slaagt niet.
Kon artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 aan de maatregel ten grondslag worden gelegd?
4. Eiser voert aan dat artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000
(b-grond) niet aan de maatregel ten grondslag kon worden gelegd. De bewaring is noodzakelijk geacht met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van een aanvraag voor een verblijfsvergunning en wegens risico op onttrekking aan het toezicht op vreemdelingen. Het nader gehoor had echter al plaatsgevonden toen de maatregel van bewaring werd opgelegd. Het is eiser dan ook onduidelijk welke gegevens noodzakelijk werden geacht voor de beoordeling van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning.
4.1.
Naar het oordeel van de rechtbank kon de b-grond ten grondslag worden gelegd aan de maatregel van bewaring. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt namelijk dat het feit dat een gehoor heeft plaatsgevonden waarin de vreemdeling informatie over zijn opvolgende aanvraag heeft verstrekt, niet zonder meer betekent dat op dat moment alle voor de beoordeling van de aanvraag noodzakelijke gegevens waren verkregen. Gegeven de inrichting van de asielprocedure kan de vreemdeling na dit gehoor immers nog opmerkingen maken of nadere gegevens verstrekken. [3] De beroepsgrond slaagt niet
Kunnen de gronden de maatregel van bewaring dragen?
5. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb 2000), als zware gronden vermeld dat eiser:
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3g. in het Nederlandse rechtsverkeer gebruik heeft gemaakt van valse of vervalste documenten;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.
Tevens heeft de minister in de maatregel van bewaring overwogen dat eiser (1°) in bewaring werd gehouden in het kader van een terugkeerprocedure uit hoofde van de Terugkeerrichtlijn, (2°) reeds de mogelijkheid van toegang tot de asielprocedure heeft gehad en (3°) op redelijke gronden kan worden aangenomen dat hij de aanvraag louter heeft ingediend om de uitvoering van het terugkeerbesluit uit te stellen of te verijdelen.
5.1.
De rechtbank stelt vast dat de minister de zware grond 3i op de zitting heeft laten vallen.
5.2.
Eiser heeft alle zware gronden, en lichte gronden 4c en 4d betwist. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister de zware grond 3b terecht tegengeworpen, omdat deze feitelijk juist is. Zoals de minister terecht stelt, is met de beschikking van 28 oktober 2025 aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd met een vertrektermijn van 28 dagen. Eiser is desondanks in Nederland gebleven. Ook is zware grond 3c feitelijk juist. Met de beschikking van 28 oktober 2025 is namelijk ook eisers aanvraag voor een verblijfsvergunning afgewezen. Hieraan heeft hij geen gevolg gegeven. Eisers betoog – dat hij deze beschikking nimmer heeft ontvangen, omdat deze is verstuurd naar een voor hem onbekend adres– slaagt niet. Uit eisers aanvraag voor een verblijfsvergunning van 14 oktober 2025 blijkt dat hij zelf het adres heeft opgegeven waarnaar de beschikking van 28 december 2025 is verzonden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister de beschikking van 28 december 2025 dan ook op de juiste wijze aan eiser bekendgemaakt, waardoor de zware gronden 3b en 3c hem kunnen worden tegengeworpen.
5.3.
Zware gronden 3a en 3b zijn voldoende om de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Vw 2000, te kunnen dragen. [4] De feitelijke juistheid van deze gronden, maakt dat het risico op onttrekking kan worden aangenomen. [5] Wat eiser verder heeft aangevoerd kan daar niet aan afdoen en behoeft daarom geen bespreking.
Had de minister moeten volstaan met een lichter middel?
6. Eiser voert aan dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel dan de inbewaringstelling, nu het onttrekkingsrisico ontbreekt. Eiser had om die reden in een asielzoekerscentrum geplaatst moeten worden.
6.1.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich voldoende op het standpunt dat niet met een lichter middel dan de inbewaringstelling kon worden volstaan. De minister wijst in dit verband terecht op de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd en het onttrekkingsrisico dat daaruit volgt. Dat eiser – zoals hij stelt – Nederland op legale wijze is binnengekomen en een aanvraag voor een verblijfsvergunning heeft ingediend, is gelet op het voormelde onttrekkingsrisico onvoldoende om te concluderen dat de minister met een lichter middel had moeten volstaan. De minister heeft dan ook geen reden hoeven zien om eiser in een asielzoekerscentrum te plaatsen. De beroepsgrond slaagt niet.
Zijn eisers medische omstandigheden onvoldoende meegewogen?
7. Eiser voert aan dat hij heeft aangegeven last te hebben van paniekaanvallen. In de maatregel van bewaring is hier geen overweging aan gewijd. Het besluit is daarom onvoldoende gemotiveerd.
7.1.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich terecht op het standpunt dat niet is gebleken van omstandigheden die detentie onredelijk bezwarend maken voor eiser. Tijdens de zitting heeft de minister erop gewezen dat uit het proces-verbaal van gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling, volgt dat eiser heeft verklaard geen medicatie te gebruiken en geen lichamelijke beperkingen te hebben. Daar komt bij dat de medische zorg in het detentiecentrum gelijkwaardig is aan de medische zorg in de vrije maatschappij. Indien eiser niet tevreden is over de zorg die hem wordt verstrekt, dient hij zich daarvoor allereerst te wenden tot de medische dienst van het detentiecentrum. Naar het oordeel van de rechtbank is niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van de situatie dat eiser detentieongeschikt is, dan wel dat de zorg in het detentiecentrum in zijn geval ontoereikend is. De beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
8. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens verder geen grond om te komen tot het oordeel dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig is geweest. [6]

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.M. van Kouwen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.ABRvS 8 oktober 2010, ECLI:NL:RVS:2020:2400.
2.Dit volgt ook uit ABRvS 15 januari 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AH9607.
3.ABRvS 6 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:375.
4.ABRvS 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829.
5.Zie artikel 5.1a, tweede lid, van het Vb 2000 in combinatie met artikel 5.1c, tweede lid, van het Vb 2000.
6.Vergelijk HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar) en HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X).