ECLI:NL:RBDHA:2026:531

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 januari 2026
Publicatiedatum
14 januari 2026
Zaaknummer
NL26.458
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vervolgberoep inzake voortduren van de maatregel van bewaring van een Algerijnse vreemdeling

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 12 januari 2026 uitspraak gedaan in een vervolgberoep van een Algerijnse vreemdeling tegen de voortduren van de maatregel van bewaring. De maatregel van bewaring was opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op 5 september 2025. De vreemdeling heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht om schadevergoeding. De rechtbank heeft vastgesteld dat de maatregel van bewaring eerder is getoetst en rechtmatig was tot 26 november 2025. De vreemdeling heeft aangevoerd dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gehandeld bij de uitzetting naar Algerije, vooral gezien zijn psychische kwetsbaarheid. De rechtbank heeft echter geoordeeld dat de minister voldoende inspanningen heeft geleverd om de uitzetting te realiseren, ondanks de complicaties die zich hebben voorgedaan. De rechtbank heeft geconcludeerd dat er geen aanleiding is om te oordelen dat de voortduren van de maatregel onrechtmatig was en heeft het beroep ongegrond verklaard. Ook het verzoek om schadevergoeding is afgewezen. De uitspraak is openbaar gemaakt en er staat geen rechtsmiddel open tegen deze beslissing.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.458

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. M.I. Vennik),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft op 5 september 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
Eiser heeft hierop gereageerd.
Desgevraagd heeft verweerder op 9 januari 2026 een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten op 12 januari 2026.

Overwegingen

1. Eiser stelt de Algerijnse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedag] 1999.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 4 december 2025 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, 26 november 2025, rechtmatig was. [2] Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds 26 november 2025.
4. Eiser voert aan dat niet valt in te zien waarom verweerder zich er niet van heeft vergewist of een vertrek naar Algerije via Parijs mogelijk zou zijn. Verweerder is immers verantwoordelijk voor de meest zorgvuldige en efficiënte wijze van uitzetting, zeker als het gaat om een psychisch kwetsbare vreemdeling. Verweerder had kunnen weten dat de uitzetting van eiser naar Algerije via Parijs niet haalbaar was. De uitzetting van eiser heeft veel vertraging opgelopen doordat een nieuwe vlucht via Rome moest worden geboekt, die pas op 22 januari 2026 kan plaatsvinden. Eiser heeft hierdoor een maand langer vastgezeten. Verder gaf de regievoerder in een email van 23 december 2025 aan dat de eerst volgende vlucht naar Algerije op 10 januari 2026 zou zijn. Het is onduidelijk waarom dit niet is gelukt. Eiser voert voorts aan dat het laatste vertrekgesprek op 25 november 2025 heeft plaatsgevonden. Het is zeer vreemd dat na de mislukte uitzetting van 22 december 2025 niet nogmaals met eiser is gesproken. Gelet op het voorgaande is eiser van mening dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld.
De rechtbank oordeelt als volgt.
5. In wat eiser aanvoert ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. Sinds het sluiten van het onderzoek in het voorgaande vervolgberoep heeft verweerder geprobeerd eiser op 22 november 2025 uit te zetten naar zijn land van herkomst. Verweerder merkt in het verweerschrift terecht op dat ten tijde van het boeken van de vlucht er voor verweerder geen aanleiding was om te vermoeden dat de Franse autoriteiten de transfer zouden weigeren. Nog daargelaten dat eiser zijn standpunt niet heeft onderbouwd, blijkt uit het voortgangsrapport dat de KMar [3] pas op 22 december 2025 van de Franse autoriteiten heeft vernomen dat eiser niet via Frankrijk mag vliegen vanwege zijn verleden daar. Om die reden is de vlucht geannuleerd. Vervolgens heeft verweerder op 23 december 2025 een nieuwe vlucht aangevraagd via Rome op 10 januari 2026. Zoals blijkt uit het verweerschrift is het echter niet mogelijk gebleken om dit te realiseren omdat eiser gedurende zijn reis begeleid moet worden door drie escorts van de KMar en een medisch escort. De eerst volgende mogelijkheid daarvoor doet zich voor op 22 januari 2026. Voor zover eiser zich op het standpunt stelt dat er onvoldoende vertrekgesprekken met hem zijn gevoerd, blijkt uit het verweerschrift dat op 16 december is gepoogd om eiser te spreken. Dit is echter niet mogelijk gebleken doordat eiser zich bevond in een extra beveiligde kamer. Verweerder heeft vervolgens op 6 januari 2026 aan eiser meegedeeld dat hij op 22 januari 2026 zal worden uitgezet. Gelet op deze uitzettingshandelingen werkt verweerder voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser.
6. Tot slot leidt de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 12 januari 2026 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. Ż.A. Meinert, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
3.Koninklijke Marechaussee.