Eiser betwist de beslissing van de Sociale verzekeringsbank (Svb) waarin zijn AOW-opbouw over de periode van 13 december 1985 tot 6 februari 2017 niet werd erkend. De Svb stelde dat eiser in die periode niet in Nederland woonde of werkte en daarom geen AOW-pensioen had opgebouwd. De rechtbank oordeelt dat de Svb terecht heeft vastgesteld dat eiser van 20 februari 2020 tot 12 maart 2020 wel AOW-pensioen heeft opgebouwd, omdat hij in die periode ingezetene van Nederland was.
Voor de periode van 13 december 1985 tot 6 februari 2017 concludeert de rechtbank dat de Svb onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eiser vanaf 4 juli 2016 tot 6 februari 2017 geen AOW-pensioen zou hebben opgebouwd. De verwijzing naar de primaire beslissing waarin staat dat eiser vanaf 4 juli 2016 wel verzekerd was, is tegenstrijdig met de beslissing op bezwaar. De rechtbank stelt dat de besluitvorming onzorgvuldig is geweest en vernietigt het bestreden besluit voor zover het de periode 4 juli 2016 tot 6 februari 2017 betreft.
Eiser voerde ook aan dat Europese regelgeving (Richtlijn 2014/50/EU) van toepassing is op de overdracht van pensioenrechten binnen de EU, maar de rechtbank merkt op dat deze richtlijn niet van toepassing is op de AOW, omdat dit een sociale verzekering betreft en geen aanvullend pensioen uit een arbeidsverhouding.
De rechtbank draagt de Svb op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze overwegingen en veroordeelt de Svb tot vergoeding van het betaalde griffierecht. Een proceskostenvergoeding wordt niet toegekend.