Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:5463

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
16 maart 2026
Zaaknummer
24/6983
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Richtlijn 2014/50/EUAlgemene Ouderdomswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen weigering AOW-opbouw voor periode 2016-2017 gegrond verklaard

Eiser betwist de beslissing van de Sociale verzekeringsbank (Svb) waarin zijn AOW-opbouw over de periode van 13 december 1985 tot 6 februari 2017 niet werd erkend. De Svb stelde dat eiser in die periode niet in Nederland woonde of werkte en daarom geen AOW-pensioen had opgebouwd. De rechtbank oordeelt dat de Svb terecht heeft vastgesteld dat eiser van 20 februari 2020 tot 12 maart 2020 wel AOW-pensioen heeft opgebouwd, omdat hij in die periode ingezetene van Nederland was.

Voor de periode van 13 december 1985 tot 6 februari 2017 concludeert de rechtbank dat de Svb onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eiser vanaf 4 juli 2016 tot 6 februari 2017 geen AOW-pensioen zou hebben opgebouwd. De verwijzing naar de primaire beslissing waarin staat dat eiser vanaf 4 juli 2016 wel verzekerd was, is tegenstrijdig met de beslissing op bezwaar. De rechtbank stelt dat de besluitvorming onzorgvuldig is geweest en vernietigt het bestreden besluit voor zover het de periode 4 juli 2016 tot 6 februari 2017 betreft.

Eiser voerde ook aan dat Europese regelgeving (Richtlijn 2014/50/EU) van toepassing is op de overdracht van pensioenrechten binnen de EU, maar de rechtbank merkt op dat deze richtlijn niet van toepassing is op de AOW, omdat dit een sociale verzekering betreft en geen aanvullend pensioen uit een arbeidsverhouding.

De rechtbank draagt de Svb op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze overwegingen en veroordeelt de Svb tot vergoeding van het betaalde griffierecht. Een proceskostenvergoeding wordt niet toegekend.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd voor de periode 4 juli 2016 tot en met 6 februari 2017.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/6983

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb), verweerder

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen de opbouw van zijn AOW-pensioen. [1] Eiser is het daar niet mee eens omdat volgens hem de Svb ten onrechte heeft geweigerd om de periode van werk in Nederland van 20 februari 2020 tot 12 maart 2020 aan de pensioenopbouw toe te voegen. Dit geldt wat hem betreft ook voor de periode van 13 december 1985 tot 6 februari 2017. Aan de hand van wat eiser in beroep tegen het bestreden besluit heeft aangevoerd, beoordeelt de rechtbank of de besluitvorming van de Svb juist is.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de besluitvorming onzorgvuldig is geweest en het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd is. De Svb heeft terecht geconcludeerd dat eiser van 20 februari 2020 tot 12 maart 2020 pensioen heeft opgebouwd. Door de Svb is onvoldoende gemotiveerd waarom eiser vanaf 4 juli 2016 tot en met 6 februari 2017 geen pensioen heeft opgebouwd. Eisers beroep is daarom gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Inleiding

2. Eiser is sinds 4 juli 2016 woonachtig in Nederland. Op 26 juni 2023 heeft eiser zijn pensioenoverzicht bij de Svb opgevraagd. Op 16 januari 2024 heeft de Svb nadere gegevens van eiser opgevraagd omdat de gegevens bij de Svb onvoldoende zijn om een overzicht te bieden. Eiser heeft vervolgens de gevraagde gegevens ingediend. Met het primaire besluit van 21 februari 2024 heeft de Svb aan eiser meegedeeld dat hij van 13 december 1985 tot en met 3 juli 2016 niet verzekerd is en dat hij van 4 juli 2016 tot en met 19 februari 2024 wel verzekerd is. Hij heeft daarom tot en met 19 februari 2024 16% AOW-pensioen opgebouwd.

Procesverloop

3. Met het bestreden besluit op bezwaar van 30 mei 2024 heeft de Svb het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
3.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en aanvullende stukken ingediend.
3.2.
De Svb heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
3.3.
De rechtbank heeft het beroep op 11 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en, als zijn tolk, de heer K. Oblicki.

Gronden eiser

4. Eiser voert aan dat de Svb heeft geweigerd de periodes van 20 februari 2020 tot 12 maart 2020 en 13 december 1985 tot 6 februari 2017 toe te voegen aan de pensioenopbouw. Van 20 februari 2020 tot 12 maart 2020 was eiser bezig met verhuizen naar een nieuwe woonplaats in Nederland. In deze periode leefde en werkte hij in Nederland. Als bewijs hiervoor heeft eiser een bankafschrift en een verklaring van de verzekeringsmaatschappij ingediend. Daaruit blijkt dat hij in deze periode betalingen heeft gedaan in Nederland en salaris heeft ontvangen. De verklaring van de verzekeringsmaatschappij toont volgens eiser aan dat hij in deze periode ononderbroken verzekerd was. Wat betreft de periode van 13 december 1985 tot 6 februari 2017 voert eiser aan dat er binnen de Europese Unie regels bestaan die het mogelijk maken pensioenverzekeringskapitaal over te dragen naar een ander lidstaat waar men woont. Hij verwijst hiervoor naar Richtlijn 2014/50/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende minimumvereisten voor de vergroting van de mobiliteit van werknemers tussen de lidstaten door het verbeteren van de verwerving en het behoud van aanvullende pensioenrechten (de Richtlijn).

Standpunt verweerder

5. De Svb stelt dat eiser verplicht verzekerd is voor de AOW in de periode van 20 februari 2020 tot en met 12 maart 2020, omdat eiser ingezetene is van Nederland. In deze korte periode heeft eiser tijdelijk ingeschreven gestaan in het buitenland, maar is wel ingezetene van Nederland gebleven. Voor de periode 13 december 1985 tot en met 6 februari 2017 is eiser niet verplicht verzekerd voor de AOW, omdat eiser in deze periode niet in Nederland woonde of werkzaam is geweest.

Beoordeling door de rechtbank

Was eiser verzekerd voor de AOW in de periode 20 februari 2020 tot en met 12 maart 2020?
6. De rechtbank moet beoordelen of eiser verplicht verzekerd was in de periode 20 februari 2020 tot en met 12 maart 2020.
6.1.
De stelling van eiser dat de Svb heeft geweigerd de periode van 20 februari 2020 tot en met 12 maart 2020 toe te voegen aan zijn pensioenopbouw, kan de rechtbank niet volgen. Immers, uit de beslissing op bezwaar van 30 mei 2024 volgt dat eiser in deze periode volgens de Svb verplicht verzekerd is voor de AOW, omdat hij een ingezetene is van Nederland. In deze korte periode heeft hij weliswaar tijdelijk ingeschreven gestaan in het buitenland, maar hij is desondanks nog wel ingezetene gebleven van Nederland. De rechtbank leidt hieruit af dat eiser in deze periode dan ook AOW-pensioen heeft opgebouwd.
Was eiser verzekerd voor de AOW in de periode 13 december 1985 tot en met 6 februari 2017?
7. De rechtbank moet beoordelen of eiser verplicht verzekerd was in de periode van 13 december 1985 tot en met 6 februari 2017.
7.1.
De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiser woont sinds 4 juli 2016 in Nederland. Daarvoor heeft hij van 13 december 1985 tot en met 3 juli 2016 in Polen gewoond. De Svb oordeelde daarom in de primaire beslissing dat eiser van 13 december 1985 tot en met 3 juli 2016 niet verzekerd was voor de AOW. Eiser heeft vervolgens in zijn bezwaarschrift aangegeven dat hij van 13 december 1985 tot en met 6 februari 2017 werkte en op dat moment verzekerd was in een ander EU-land. Naar aanleiding daarvan heeft de Svb aan eiser gevraagd of hij in die periode werkzaam was in een ander land dan Nederland en of hij daarover informatie wilde overleggen. Aan de hand van wat eiser heeft aangeleverd heeft de Svb in de beslissing op bezwaar ten aanzien van de periode 13 december 1985 tot en met 6 februari 2017 het volgende geconcludeerd: “U heeft in deze periode gewerkt in een andere lidstaat van de Europese Unie en was daar ook verzekerd. U heeft in deze periode geen AOW opgebouwd in Nederland, omdat u niet in Nederland woont of werkt.”
7.2.
De rechtbank merkt op dat in de beslissing op bezwaar staat dat de primaire beslissing van 21 februari 2024 in stand blijft. Die beslissing hield in dat eiser van 13 december 1985 tot en met 3 juli 2016 niet verzekerd is en dat hij van 4 juli 2016 tot en met 19 februari 2024 wel verzekerd is. In de beslissing op bezwaar staat echter dat eiser geen AOW heeft opgebouwd in de periode van 13 december 1985 tot en met 6 februari 2017. Dit zou dus betekenen dat verweerder in bezwaar tot het gewijzigd inzicht is gekomen dat eiser voor wat betreft de periode 4 juli 2016 tot en met 6 februari 2017 geen AOW heeft opgebouwd. Op welke stukken in het dossier dit is gebaseerd, is de rechtbank niet duidelijk geworden. In een interne notitie van de beoordelaar van de Svb van 28 mei 2024 staat als conclusie in bezwaar niet meer dan dat eiser sinds 4 juli 2016 in Nederland woont en dat zijn bezwaar ongegrond is. Hieruit volgt dat de Svb in de beslissing op bezwaar onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eiser geen AOW heeft opgebouwd voor wat betreft de periode 4 juli 2016 tot en met 6 februari 2017. Door te verwijzen naar de primaire beslissing waarin staat dat eiser vanaf 4 juli 2016 tot en met 19 februari 2024 wel AOW heeft opgebouwd is de besluitvorming bovendien onzorgvuldig geweest. Dit betekent dat om die redenen het bestreden besluit op dat punt niet in stand kan blijven.
7.3
Eiser stelt (ook) in beroep dat er binnen de Europese Unie regels bestaan die het mogelijk maken pensioenverzekeringskapitaal over te dragen naar een ander lidstaat waar men woont en verwijst daarvoor naar de Richtlijn. Deze richtlijn is alleen van toepassing op aanvullende pensioenregelingen waarvan het recht erop voortvloeit uit een arbeidsverhouding en gekoppeld is aan het bereiken van de pensioenleeftijd of aan het vervullen van andere voorwaarden. De rechtbank merkt op dat het in dit geval niet gaat over pensioen uit een arbeidsverhouding, maar over het AOW-pensioen dat een sociale verzekering betreft. In het geval van eiser is de richtlijn dan ook niet van toepassing.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is gegrond. Eiser krijgt dus gelijk. Omdat het beroep gegrond is, moet de Svb het door eiser betaalde griffierecht vergoeden. Voor een proceskostenvergoeding is geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit voor zover dit ziet op de periode 4 juli 2016 tot en met 6 februari 2017;
  • bepaalt dat verweerder met inachtneming van het hiervoor overwogene inzoverre een nieuw besluit dient te nemen;
  • draagt de Svb op het betaalde griffierecht van € 50,- aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meessen, rechter, in aanwezigheid van mr S. Çakir, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2026
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Algemene Ouderdomswet.