ECLI:NL:RBDHA:2026:5488

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 maart 2026
Publicatiedatum
16 maart 2026
Zaaknummer
NL25.63249
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:53 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens vertrek vreemdeling met onbekende bestemming

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van een vreemdeling tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling volgens het Dublin-verdrag.

De rechtbank stelde ambtshalve vast dat de vreemdeling rond november 2025 met onbekende bestemming is vertrokken en sindsdien geen contact meer onderhoudt met zijn gemachtigde. Volgens vaste jurisprudentie wordt in zo'n situatie aangenomen dat de vreemdeling geen prijs meer stelt op de aanvankelijk verzochte internationale bescherming in Nederland.

Gezien het ontbreken van contact en het vertrek met onbekende bestemming concludeerde de rechtbank dat de vreemdeling geen procesbelang heeft bij een inhoudelijke behandeling van het beroep. Daarom verklaarde de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk en wees zij een proceskostenveroordeling af.

De uitspraak werd gedaan door rechter W.H. Bel en griffier Y. Chakur op 16 maart 2026. Partijen kunnen binnen zes weken een verzetschrift indienen als zij het niet eens zijn met deze beslissing.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang door vertrek met onbekende bestemming en geen contact met gemachtigde.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.63249

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiserV-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. R. Deniz),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 18 december 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:53, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Overwegingen

1. De rechtbank beantwoordt allereerst ambtshalve de vraag of eiser procesbelang heeft bij het beroep. Bij bericht van 1 december 2025 is verweerder door het Coa [1] in kennis gesteld dat eiser rond 10 november 2025 met onbekende bestemming is vertrokken. Bij bericht van 12 februari 2026 heeft de gemachtigde van eiser de rechtbank in kennis gesteld dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en dat de gemachtigde niet langer met eiser in contact kan komen.
2. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling [2] volgt dat wanneer een vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken zonder verweerder te laten weten waar hij verblijft, er in beginsel vanuit wordt gegaan dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk verzochte internationale bescherming in Nederland. Dit is anders als de vreemdeling contact met zijn gemachtigde onderhoudt. [3]
3. Gelet op de genoemde omstandigheden en de vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, neemt de rechtbank aan dat eiser niet langer prijs stelt op de aanvankelijk gezochte internationale bescherming in Nederland. Eiser heeft daarom geen procesbelang bij een inhoudelijke beoordeling van het door hem ingestelde beroep tegen het bestreden besluit.
4. Het beroep is niet-ontvankelijk.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan op 16 maart 2026 door mr. W.H. Bel, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Centraal orgaan asielzoekers.
2.Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
3.Zie de uitspraak van1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662.