ECLI:NL:RBDHA:2026:5505

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 maart 2026
Publicatiedatum
16 maart 2026
Zaaknummer
NL26.12185
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 96 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling voortduring maatregel bewaring vreemdeling zonder gronden voor onrechtmatigheid

De minister heeft op 13 december 2025 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser en heeft de voortduring hiervan op 4 maart 2026 aan de rechtbank gemeld, met het verzoek om een rechtmatigheidsbeoordeling. Eiser heeft geen beroepsgronden ingediend en heeft niet gereageerd op de voortgangsrapportage.

De rechtbank heeft het onderzoek op 10 maart 2026 gesloten zonder zitting. Uit de beoordeling blijkt dat sinds het vorige onderzoek op 29 december 2025 de minister meerdere keren contact heeft gezocht met de Marokkaanse en Algerijnse autoriteiten over de uitzetting. Daarnaast zijn vertrekgesprekken gevoerd, waarbij eiser medewerking weigerde.

De rechtbank concludeert dat er voldoende zicht is op uitzetting naar Marokko en geen zicht op uitzetting naar Algerije. Er is geen aanleiding om de maatregel als onrechtmatig te beschouwen of om een lichter middel toe te passen. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er is geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de voortduring van de maatregel bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.12185

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

V-nummer: [V-nummer],
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. De minister heeft op 13 december 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
1.1.
De minister heeft de rechtbank op 4 maart 2026 van de voortduring van de bewaring in kennis gesteld en de rechtbank verzocht om een rechtmatigheidsbeoordeling te verrichten. [2] Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep in die zin dat eiser geacht wordt een verzoek om schadevergoeding te hebben ingediend als de voortduring van de maatregel onrechtmatig wordt bevonden.
1.2.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hier niet op gereageerd.
1.3.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft [3] en het onderzoek op 10 maart 2026 gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank heeft deze maatregel van bewaring al eerder getoetst, zoals volgt uit de uitspraak van 31 december 2025. [4] In dit beroep is daarom van belang wat er sinds het sluiten van het vorige onderzoek op 29 december 2025 is gebeurd.
3. De rechtbank stelt vast dat eiser geen beroepsgronden heeft ingediend. De rechtbank ziet ook ambtshalve toetsend geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel van bewaring in de periode tussen het sluiten van het vorige onderzoek en het sluiten van het onderhavige onderzoek, op enig moment onrechtmatig is geweest.
3.1.
De rechtbank is namelijk van oordeel dat de minister voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser heeft gewerkt. Zo is er sinds 29 december 2025 drie keer bij de Marokkaanse en vier keer bij de Algerijnse autoriteiten schriftelijk gerappelleerd op de lp-aanvraag. Daarnaast is op 19 januari 2026 een vertrekgesprek met eiser gevoerd. Eiser weigerde op 17 februari 2026 een vertrekgesprek te voeren. Uit het voorgaande blijkt dat eiser nog geen medewerking verleent. In de hiervoor onder 2. genoemde uitspraak is geoordeeld dat zicht op uitzetting naar Marokko niet ontbreekt. De rechtbank ziet in deze procedure geen reden voor een ander oordeel. Daarnaast ontbreekt zicht op uitzetting naar Algerije [5] in het algemeen en ook specifiek voor eiser niet. De rechtbank ziet tot slot geen aanleiding voor het oordeel dat een lichter middel nu wel zou kunnen volstaan.
3.2.
De rechtbank ziet ook voor het overige geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring in de periode tussen het sluiten van het vorige onderzoek en het sluiten van het onderhavige onderzoek op enig moment onrechtmatig was. [6]

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. H.A. van der Wal, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Zie het arrest van het Hof van Justitie van 8 november 2022 in de zaak C, B en X, de gevoegde zaken C-704/20 en C-39/21, ECLI:EU:C:2022:858.
3.Op grond van artikel 96, eerste lid, van de Vw.
4.Zaaknummer NL25.61198.
5.Zie de uitspraken van de Afdeling van 6 mei 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:1892) en van 27 februari 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:722).
6.Zie ook de arresten Adrar van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647) en Aroja van het Hof van 5 maart 2026 (ECLI:EU:C:2026:148).