Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister ontving de aanvraag op 30 november 2023, maar heeft niet binnen de wettelijke beslistermijn van 21 maanden een besluit genomen. Eiser stelde de minister op 24 september 2025 schriftelijk in gebreke, waarna hij meer dan twee weken later beroep instelde.
De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is omdat de minister niet tijdig heeft beslist. De rechtbank bepaalt dat de minister binnen acht weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit moet nemen. Deze termijn is verlengd ten opzichte van de standaard twee weken, vanwege het belang van zorgvuldige besluitvorming en het feit dat eiser nog niet is gehoord over zijn asielmotieven.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van € 100,- per dag met een maximum van € 15.000,- voor elke dag dat de minister de beslistermijn overschrijdt. Ook wordt de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser van € 467,-, omdat eiser een professionele gemachtigde heeft ingeschakeld. De uitspraak is gedaan door rechter A. Skerka en griffier A.W. van Eerden op 16 maart 2026.