ECLI:NL:RBDHA:2026:5598

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
17 maart 2026
Zaaknummer
NL26.1801
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55d Awb
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging niet tijdig besluit en oplegging dwangsom in vreemdelingenzaak

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op hun aanvragen voor een machtiging tot voorlopig verblijf. De rechtbank behandelt het beroep zonder zitting en constateert dat de minister niet binnen de door de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State opgelegde termijn heeft beslist.

De Afdeling had de minister een termijn van vier weken gegeven om alsnog een besluit te nemen, omdat geen herstel van verzuimen of nader onderzoek was geboden. De minister heeft deze termijn niet nageleefd, waardoor het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond is.

De rechtbank vernietigt het niet tijdig nemen van het besluit en draagt de minister op binnen vier weken na bekendmaking van deze uitspraak alsnog een besluit te nemen. Tevens wordt een dwangsom van € 100,- per dag opgelegd met een maximum van € 15.000,- bij overschrijding van deze termijn.

Daarnaast wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eisers, vastgesteld op € 233,50, en het betaalde griffierecht van € 194,-. De rechtbank motiveert de lagere proceskostenvergoeding vanwege de beperkte omvang van werkzaamheden bij een opvolgend beroep.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt het niet tijdig nemen van een besluit en legt een nieuwe beslistermijn met dwangsom op.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.1801

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam],

[naam],

[naam],

[naam],

[naam],V-nummer: [nummer],

gezamenlijk: eisers,
(gemachtigde: mr. R.W.J.L. Loonen),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. Deze uitspraak gaat over het opvolgende beroep dat eisers hebben ingediend, omdat de minister niet op tijd zou hebben beslist op de aanvragen tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf.
1.1.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting. [1]

Beoordeling door de rechtbank

2. In de procedure in hoger beroep heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 1 mei 2025 (NL25.530) vernietigd, voor zover zij de minister heeft opgedragen om vóór 30 juli 2026 alsnog een besluit bekend te maken. De Afdeling heeft deze termijn vervangen door een nadere termijn van vier werken na de dag van verzending van de uitspraak van de rechtbank, door acht weken als zij de minister gelegenheid tot herstel van verzuimen aanbiedt, door zestien weken als zij nader onderzoek aanbiedt en door twintig weken als zij zowel gelegenheid tot herstel van verzuimen als nader onderzoek aanbiedt. [2] 2.1. Uit het dossier blijkt niet dat de minister de gelegenheid tot herstel van verzuimen of nader onderzoek heeft geboden. De minister had daarom binnen vier weken na de rechtbankuitspraak moeten beslissen, maar heeft dit niet gedaan.
3. Het beroep is ontvankelijk en kennelijk gegrond.
4. Mede gelet op de beslistermijn die de Afdeling in de hoger beroepsprocedure heeft opgelegd bepaalt de rechtbank opnieuw dat de minister binnen vier weken een beslissing op de aanvragen moet nemen. De termijn begint op de dag na het bekend maken van deze uitspraak.
5. Eisers hebben gevraagd om een dwangsom op te leggen als de minister niet op tijd beslist. De rechtbank bepaalt dat de minister opnieuw een dwangsom van € 100,- per dag moet betalen als hij de door de rechtbank opgelegde beslistermijn overschrijdt. Hierbij geldt thans een maximum van € 15.000,-. [3]
6. De minister moet de door eisers gemaakte proceskosten vergoeden. De rechtbank stelt de wegingsfactor die gebruikt wordt bij het bepalen van de hoogte van die proceskostenvergoeding op 0,25. Hiertoe ziet zij aanleiding omdat de omvang van de werkzaamheden die redelijkerwijs nodig zijn voor een opvolgend beroep wegens niet tijdig beslissen in beginsel beperkter zijn dan voor een eerste beroep. [4] Dat betekent dat de proceskostenvergoeding zal worden vastgesteld op € 233,50. [5] De minister moet ook het betaalde griffierecht aan eisers vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt de minister op binnen vier weken na bekendmaking van deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvragen bekend te maken.
  • bepaalt dat de minister aan eisers een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
  • draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 194,- aan eisers te vergoeden;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 233,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van
A.S. van der Veen, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.ABRvS 24 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5139.
3.Artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb.
4.Zie r.o. 6.2, ECLI:NL:RBDHA:2025:22665.
5.Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door de gemachtigde verleende rechtsbijstand, waarbij 1 punt is gerekend voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 0,25.