ECLI:NL:RBDHA:2026:5648
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag mvv voor verblijf als gezinslid bij echtgenoot ondanks beroep op EU-recht en EVRM
Eiseres, van Marokkaanse nationaliteit en gehuwd met een Nederlandse echtgenoot, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) met als doel verblijf als familie- of gezinslid. De minister wees de aanvraag af omdat eiseres niet voldeed aan het mvv-vereiste en geen vrijstelling kon worden verleend op grond van artikel 8 EVRM Pro. Eiseres voerde aan dat de Gezinsherenigingsrichtlijn van toepassing is en dat zij vrijstelling zou moeten krijgen, mede vanwege haar gezondheid en privéomstandigheden.
De rechtbank oordeelde dat de Gezinsherenigingsrichtlijn inderdaad van toepassing is en dat de minister het mvv-vereiste terecht heeft toegepast. De rechtbank verwierp het beroep op prejudiciële vragen en stelde dat de minister niet verplicht was om de aanvraag in Nederland te accepteren. De medische omstandigheden van eiseres waren onvoldoende onderbouwd en de belangenafweging leidde tot de conclusie dat het belang van de Nederlandse overheid zwaarder woog.
Verder stelde de rechtbank dat toetsing aan artikel 7 van Pro het Handvest niet nodig was omdat dit artikel overeenkomt met artikel 8 EVRM Pro, waarop de minister reeds had getoetst. Ook het beroep op het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel slaagde niet omdat eiseres niet aannemelijk had gemaakt dat dit tot een andere uitkomst zou leiden.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. De uitspraak werd gedaan door rechter Y. Moussaoui en griffier L. Kooring op 25 februari 2026.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar mvv-aanvraag ongegrond en bevestigt dat de minister het mvv-vereiste terecht heeft toegepast.