ECLI:NL:RVS:2017:1986
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- A.B.M. Hent
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Vaststelling dat staatssecretaris belangenafweging bij afwijzing verblijfsvergunning correct heeft verricht
De staatssecretaris wees de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af omdat zij niet beschikte over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris niet alle relevante feiten had betrokken bij de belangenafweging onder artikel 8 EVRM Pro, met name met betrekking tot de toepassing van artikel 3.77, zevende lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000.
De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigt het vonnis van de rechtbank en oordeelt dat de staatssecretaris wel een volledige belangenafweging heeft verricht. De staatssecretaris heeft rekening gehouden met het familie- en gezinsleven, de belangen van de kinderen, de binding van de referent met Nederland en de mogelijkheid van gezinshereniging in de toekomst. De Afdeling stelt dat het beleid omtrent het mvv-vereiste, hoewel onverbindend verklaard door het Hof, niet relevant is voor de belangenafweging onder artikel 8 EVRM Pro.
De vreemdeling voerde aan dat de staatssecretaris onvoldoende rekening hield met de belangen van de kinderen en de harde toepassing van de hardheidsclausule, maar de Afdeling oordeelt dat de staatssecretaris deze belangen deugdelijk heeft betrokken en gemotiveerd. Ook het beroep dat de vreemdeling niet is gehoord in bezwaar faalt omdat er geen twijfel bestond dat het bezwaar tot een ander besluit zou leiden.
De Afdeling verklaart het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond, vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep van de vreemdeling ongegrond. De zaak wordt zonder terugwijzing afgedaan.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het besluit van de staatssecretaris tot afwijzing van de verblijfsvergunning blijft in stand.