ECLI:NL:RBDHA:2026:5668

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
17 maart 2026
Zaaknummer
SGR 24/9205
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:20 AwbArt. 4 Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV om hem per 2 november 2023 geen WIA-uitkering toe te kennen vanwege een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%. Eiser betwist dat hij meer dan 65% van zijn laatstverdiende loon kan verdienen en voert aan dat zijn beperkingen, waaronder een post-commotioneel syndroom, onvoldoende zijn meegewogen. Hij overlegt verslagen van zijn ergotherapeut ter onderbouwing van een urenbeperking.

De rechtbank beoordeelt dat het UWV een zorgvuldig onderzoek heeft verricht, waarbij verzekeringsartsen eiser hebben onderzocht en de beschikbare medische informatie hebben betrokken. De adviezen van de ergotherapeut bevatten geen medische objectivering en kunnen daarom niet leiden tot het aannemen van een urenbeperking. De rechtbank volgt het oordeel van de verzekeringsartsen dat er geen medische aanwijzingen zijn voor een langdurige beperking in arbeidsduur.

Verder oordeelt de rechtbank dat eiser voldoende gelegenheid heeft gehad om bewijs aan te dragen en dat het beroep tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar niet-ontvankelijk is geworden omdat inmiddels een besluit is genomen. De rechtbank wijst het beroep af, veroordeelt het UWV in de proceskosten en bepaalt dat het griffierecht wordt vergoed.

Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de WIA-uitkering wordt ongegrond verklaard en het UWV heeft terecht geweigerd de uitkering toe te kennen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/9205

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,

(gemachtigde: mr. C.C. Haanappel),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het Uwv), verweerder,
(gemachtigde: M.A. Brouwer).

Procesverloop

Het Uwv heeft eiser bij besluit van 22 november 2023 (het primaire besluit) per 2 november 2023 geweigerd een WIA-uitkering toe te kennen, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
Eiser heeft op 6 december 2023 bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
Op 17 juni 2024 heeft eiser het Uwv in gebreke gesteld voor het uitblijven van de beslissing op bezwaar.
Eiser heeft op 20 november 2024 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar.
Met het besluit van 2 december 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.
Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. De rechtbank heeft de beroepsprocedure voortgezet.
Het Uwv heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
Naar aanleiding daarvan heeft eiser de beroepsgronden aangevuld en nadere informatie ingediend.
Eisers partner heeft de rechtbank op 7 januari 2026 een brief gezonden.
De rechtbank heeft het beroep op 21 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft eiser deelgenomen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Ook eisers partner was aanwezig. Het Uwv is niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Niet tijdig beslissen op bezwaar
1. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser geen belang meer bij een beoordeling van zijn beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaar, omdat hierover bij het bestreden besluit inmiddels wel is beslist. Daarom is het beroep - voor zover gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit - niet ontvankelijk.
Het bestreden besluit
2. Op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), heeft het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit mede betrekking op het alsnog genomen besluit, tenzij dat geheel aan het beroep tegemoet komt. Hiervan is in deze zaak geen sprake, omdat in het bestreden besluit de weigering van de WIA-uitkering per 2 november 2023 in stand blijft.
Relevante feiten en achtergrond
3.1.
Op 4 november 2021 is eiser uitgevallen voor zijn werk als projectondersteuner. In verband met een WIA-beoordeling is eiser op 26 oktober 2023 gezien door de primaire verzekeringsarts. Deze stelde een functionele mogelijkhedenlijst (FML) op en vervolgens zijn functies geduid. Het Uwv heeft besloten dat eiser per 2 november 2023 geen WIA-uitkering krijgt omdat eiser meer dan 65% van zijn laatstverdiende loon zou kunnen verdienen. Eiser is 4,83% arbeidsongeschikt.
3.2
In bezwaar en na het instellen van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar heeft eiser informatie van de ergotherapeut overgelegd. Daaruit volgt volgens hem een urenbeperking. De ergotherapeut vermeldt een zware hersenschudding in oktober 2021 en een post-commotioneel syndroom. Eiser moet zijn werkzaamheden opbouwen, beginnend met driemaal drie uur. Ook in 2025 had eiser nog ergotherapie nodig. De verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b) heeft in een tweetal rapportages vermeld dat er strikt genomen geen neurologische correspondentie is waaruit blijkt van een commotio cerebri (post-commotioneel syndroom). Uit het dossier blijkt ook niet van verslaglegging (bijvoorbeeld van de beoordeling op de SEH na het ongeval) waaruit het post-commotioneel syndroom zou blijken. Het is volgens de verzekeringsarts b&b voorts niet aannemelijk dat een ongeval dat niet heeft geleid tot aantoonbaar hersenletsel twee jaar later nog tot een beperking van de arbeidsduur leidt. Vergelijkbare vraagtekens plaatst de verzekeringsarts b&b bij aanhoudende begeleiding door de ergotherapeut. Uit de informatie kan de verzekeringsarts b&b niet afleiden wat die begeleiding inhoudt en, meer in algemene zin, waarom eiser nog beperkt zou zijn in de arbeidsduur. Een draagkrachtige motivering daarvoor ontbreekt in de informatie van de ergotherapeut, aldus de verzekeringarts b&b. In de FML is voorts ruim rekening gehouden met de prikkel(over)gevoeligheid van eiser. Naast een passende, prikkelarme werksetting is er geen reden voor een beperking van de arbeidsduur.
3.3.
Het Uwv heeft in het bestreden besluit en thans in beroep zijn beslissing gehandhaafd dat eiser geen recht heeft op een WIA-uitkering, onder verwijzing naar de rapportages van de verzekeringsarts b&b en de arbeidsdeskundige b&b, alsmede (in beroep) de aanvullende rapportages van de verzekeringsarts b&b.
Het standpunt van eiser
3.4.
Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Eiser betwist dat hij meer dan 65% van zijn laatstverdiende loon kan verdienen. Eiser stelt dat zijn (medische) beperkingen zijn onderschat en dat zijn werkelijke arbeidsongeschiktheidspercentage veel hoger ligt. De rapportages van de verzekeringsarts b&b en de arbeidsdeskundige b&b geven een onjuist, dan wel onrealistisch beeld van zijn werkelijke beperkingen. Eiser kan zich dan ook niet verenigen met de geselecteerde functies. Eiser stelt dat het bestreden besluit in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer specifiek het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. Eiser stelt dat ten onrechte geen urenbeperking is aangenomen en dat dit oordeel tevens onvoldoende is gemotiveerd. Eiser verwijst in dit kader naar twee verslagen van zijn ergotherapeut. Uit de brief van maart 2024 blijkt dat het advies is te starten met drie dagen van drie uur per dag. Uit de brief van december 2024 blijkt dat eiser in december 2024 niet meer dan 20 uur per week kan werken. Tijdens de hoorzitting en het medisch spreekuur in bezwaar heeft eiser uitgebreid stilgestaan bij de energetische beperkingen die hij ervaart en wat voor gevolgen dit heeft op zijn functioneren. Ook heeft eiser benoemd dat hij (onder andere) hiervoor in behandeling is bij de ergotherapeut. De verzekeringsarts b&b is hier in de visie van eiser te gemakkelijk aan voorbij gegaan en heeft onvoldoende gemotiveerd waarom geen urenbeperking aan de orde is. Het oordeel van de verzekeringsarts is in het licht van de beperkingen van eiser dan ook niet begrijpelijk.
Aanvullend heeft eiser nog een brief van zijn ergotherapeut overgelegd. Daaruit blijkt dat eiser op 27 maart 2025 nog steeds beperkingen ervaart en dat de ergotherapeut inschat dat eiser maximaal vier tot vijf uur per dag belastbaar is. Met betrekking tot de prikkelverwerking is de inschatting dat eiser beperkt zal blijven. De verzekeringsarts b&b stelt enkel dat het niet aannemelijk is om na twee jaar nog beperkingen in de arbeidsduur te ervaren. Deze verder niet onderbouwde stelling is in de visie van eiser niet voldoende. Eiser heeft informatie van zijn ergotherapeut overgelegd. Het had op de weg van de verzekeringsarts b&b gelegen om deze informatie te wegen en eventueel vragen te stellen aan de behandelaar. Voldoende blijkt dat eiser nog steeds beperkingen ervaart met betrekking tot de arbeidsduur, vanwege de problemen op het gebied van prikkelverwerking, vermoeidheid en concentratie. Ook blijkt uit wat de behandelingen bij de ergotherapeut inhouden en hoeveel sessies hebben plaatsgevonden. Het is niet begrijpelijk dat op basis van één medisch spreekuur, het oordeel van een ergotherapeut (die eiser twee jaar in behandeling heeft) ter zijde wordt geschoven. De beslissing op bezwaar kan in de visie van eiser dan ook geen stand houden, omdat onvoldoende rekening is gehouden met zijn beperkingen en de beslissing onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen. Er is voldoende reden om te twijfelen aan het oordeel van de verzekeringsarts, gelet op alle stukken die eiser heeft overgelegd.
De beoordeling door de rechtbank
4.1
De rechtbank beoordeelt hierna of de besluitvorming van het Uwv zorgvuldig heeft plaatsgevonden, of partijen in voldoende mate de gelegenheid hebben gehad om bewijsmateriaal aan te dragen en of het bestreden besluit inhoudelijk juist is.
De zorgvuldigheid van de besluitvorming
4.2.
De vereisten waaraan de besluitvorming van het Uwv moet voldoen, vloeien voort uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Sb). Rapporten van verzekeringsartsen moeten blijk geven van een zorgvuldig onderzoek en moeten deugdelijk gemotiveerd, inzichtelijk en consistent zijn. Als een rapport van een verzekeringsarts niet voldoet aan de kwaliteitseisen die in artikel 4 van Pro het Sb zijn neergelegd, kan het bestreden besluit alleen al om die reden geen stand houden.
4.3.
Tegen die achtergrond is de rechtbank van oordeel dat het onderzoek van het Uwv voldoende zorgvuldig is geweest. Daarbij is het volgende van belang. Uit de rapporten van de verzekeringsartsen blijkt dat het dossier is bestudeerd en dat eiser is gezien op het spreekuur. Tijdens het spreekuur heeft de verzekeringsarts een anamnese afgenomen en is eiser lichamelijk en (observerend) psychisch onderzocht. De beschikbare informatie is bij de beoordeling betrokken. Uit de rapporten van de verzekeringsarts b&b blijkt dat in bezwaar ook de brieven van de ergotherapeut zijn beoordeeld alsmede de door eiser overlegd nadere informatie van zijn huisarts. De rechtbank heeft geen reden om te oordelen dat de verzekeringsarts b&b een aanvullend onderzoek had moeten doen of aanvullende vragen had moeten stellen. Daarbij volgt de rechtbank de stelling van het Uwv dat uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) volgt dat een verzekeringsarts in beginsel op zijn eigen oordeel kan varen als het gaat om het vaststellen van beperkingen. [1] Verder is de rechtbank van oordeel dat de rapportages van de verzekeringsartsen geen tegenstrijdigheden bevatten en dat de conclusies van de rapportages logisch voortvloeien uit de onderzoeksbevindingen.
Evenwicht tussen partijen?
4.4.1
Alleen als er evenwicht bestaat tussen partijen in de mogelijkheid om bewijsmateriaal aan te dragen, is de bestuursrechter in staat een onafhankelijk en onpartijdig oordeel te geven. In zaken waarbij verzekeringsartsen van het Uwv betrokken zijn, betekent dit dat de rechter de vraag moet beantwoorden of de betrokkene voldoende ruimte heeft gehad om de medische bevindingen van de verzekeringsartsen te betwisten, bijvoorbeeld door zelf (medische) stukken in te dienen.
4.4.2
De rechtbank is van oordeel dat dit het geval is geweest. Eiser heeft meermalen brieven van zijn behandelend ergotherapeut overgelegd, alsmede een document van zijn huisarts. Van andere behandelaars en/of behadelingen is de rechtbank niet gebleken. Gesteld noch gebleken is dan ook dat eiser in bewijsnood heeft verkeerd. Hij heeft in voldoende mate weerwoord kunnen bieden aan wat de verzekeringsartsen hebben aangevoerd ter onderbouwing van het bestreden besluit en is daarin niet belemmerd.
Is het bestreden besluit inhoudelijk juist?
4.5
Ter beantwoording van deze vraag beoordeelt de rechtbank of eiser met wat hij heeft aangevoerd, twijfel heeft doen ontstaan aan de juistheid van de beoordeling door het Uwv. De rechtbank oordeelt hierover als volgt.
4.6.1
De kern van eisers beroepsgronden is de stelling dat er ten onrechte geen urenbeperking is aangenomen en dat onvoldoende is gemotiveerd waarom geen sprake is van een urenbeperking. Eiser verwijst dit kader naar verslagen en brieven van zijn ergotherapeut. Eiser heeft op de zitting nog een beroep gedaan op een uitspraak van de rechtbank Overijssel van 28 maart 2025. In die uitspraak overwoog de rechtbank dat en psycholoog bij uitstek ter zake deskundig is om psychische problematiek vast te stellen en te onderzoeken. Dat dit enkel door een arts zou kunnen geschieden wordt door de rechtbank Overijssel in genoemde uitspraak niet gevolgd. [2]
De rechtbank overweegt dat een ergotherapeut geen arts is. De adviezen van eisers ergotherapeut bevatten geen medische objectivering, hetgeen wel een voorwaarde is voor het aannemen van een urenbeperking. De bijzondere deskundigheid van een ergotherapeut is het vermogen om mensen te helpen om (opnieuw) dagelijkse activiteiten uit te voeren of deel te nemen aan activiteiten in hun eigen omgeving. De vergelijking met een psycholoog, die eiser maakt, gaat daarom niet op. Het vaststellen van een urenbeperking is voorbehouden aan een arts. Aan de informatie van de ergotherapeut van eiser heeft de verzekeringsarts b&b geen argumenten kunnen ontlenen voor het aannemen van een urenbeperking. Het betoog van eiser dat hij maar driemaal 3 uur per dag kan werken ten tijde van de datum in geding, volgt de rechtbank daarom niet.
4.6.2
Om dezelfde reden volgt de rechtbank niet de stelling van eiser dat de verzekeringsarts b&b niet zonder nadere onderbouwing had mogen rapporteren dat het niet aannemelijk is om na twee jaar nog beperkingen in de arbeidsduur te ervaren. Ook voor die stelling van eiser ontbreekt immers in de stukken een medisch objectieve onderbouwing.
4.7
De rechtbank ziet ook in wat eiser verder aanvoert geen reden voor twijfel aan het medisch oordeel van de verzekeringsartsen van het Uwv. Zoals ook op de zitting besproken, is eiser niet onder behandeling van een arts geweest. Eiser heeft ook geen objectieve medische informatie ingebracht op basis waarvan twijfel had kunnen ontstaan over de medische beoordeling van de verzekeringsartsen. Dat eiser het niet eens is met de vastgestelde beperkingen kan niet leiden tot het oordeel dat de medische beoordeling onjuist is. Aan hoe eiser zelf zijn klachten en in het bijzonder de door hem gestelde energetische beperkingen ervaart, komt in de systematiek van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling geen doorslaggevende waarde toe.
4.8
Eiser heeft in beroep slechts in algemene zin aangegeven dat hij zich niet kan verenigen met de geselecteerde functies en verder geen specifieke arbeidsdeskundige gronden naar voren gebracht. Uitgaande van de juistheid van de vastgestelde beperkingen, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de geselecteerde functies niet geschikt zijn voor eiser. Daar waar sprake is van signaleringen en mogelijke overschrijdingen, is door de arbeidsdeskundige b&b van het Uwv naar aanleiding van de bezwaargronden in het rapport van 26 november 2024 voldoende onderbouwd waarom de geselecteerde functies geschikt zijn.
Conclusie en gevolgen
5. Omdat geen van de door eiser aangevoerde beroepsgronden slaagt, is het beroep ongegrond. Dat betekent dat het Uwv terecht geweigerd heeft om eiser per 2 november 2023 een WIA-uitkering toe te kennen en dat het bestreden besluit in stand blijft.
Proceskostenveroordeling
6. De rechtbank zal verweerder hierna in het beroep tegen het niet tijdig beslissen veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten voor door een derde beroepsmatig verleende bijstand. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift niet tijdig besissen) met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 0,5 (een zaak van licht gewicht).
7. Het door eiser betaalde griffierecht van € 51,- dient door verweerder te worden vergoed.

Beslissing

De rechtbank:
 verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen, niet-ontvankelijk;
 verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het bestreden besluit, ongegrond;
 veroordeelt het Uwv in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467,-;
 bepaalt dat het Uwv het betaalde griffierecht van € 51,- aan eiser vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.R. van der Meer, rechter, in aanwezigheid van
mr. M. Klaus, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2026.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 30 juni 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1524.