ECLI:NL:RBDHA:2026:5672

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 februari 2026
Publicatiedatum
17 maart 2026
Zaaknummer
SGR 25/4466
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.1 OwArt. 22.8 OwArt. 3:2 AwbArt. 7:12 AwbArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit omgevingsvergunning voor kap van 19 bomen in Zoetermeer

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer om een omgevingsvergunning te verlenen voor het kappen en vervangen van 19 bomen aan de [straat 1] in Zoetermeer. De rechtbank oordeelt dat het besluit onvoldoende is gemotiveerd en niet gebaseerd is op voldoende onderzoek, met name omdat het advies van de Externe Adviescommissie Bomen (EAB) uit 2017 onvoldoende concludent is en niet specifiek ingaat op de noodzaak van kap van alle bomen.

De rechtbank stelt vast dat het verwijderingsbelang niet adequaat is onderbouwd, vooral voor bomen die op ruimere afstand van woningen staan. Ook is de participatie van omwonenden onvoldoende zorgvuldig verlopen, waarbij de opvattingen van tegenstanders van de kap onvoldoende zijn betrokken in de belangenafweging. Het college heeft bovendien geen duidelijke tijdlijn gegeven voor het kappen en vervangen van de bomen.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt het college op binnen twaalf weken een nieuw besluit te nemen met een betere motivering en een zorgvuldige belangenafweging, inclusief de inbreng van voor- en tegenstanders. Tevens worden de proceskosten en deskundigenkosten van eisers toegewezen.

Uitkomst: Het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning voor het kappen van 19 bomen wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering en onzorgvuldige belangenafweging.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/4466

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser 1],
[eiser 2] , [eiser 3] en [eiser 4] ,uit [woonplaats] , eisers
en

het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer,

(gemachtigde: mr. C.T. Kreffer).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
gemeente Zoetermeer(vergunninghoudster)
(gemachtigden: A.M. Kroon en M.C.J. Beij).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eisers tegen het besluit van het college om een omgevingsvergunning te verlenen voor het kappen en het vervangen van 19 bomen aan de [straat 1] in Zoetermeer. Eisers zijn het niet eens met de verleende omgevingsvergunning. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de verlening van de omgevingsvergunning.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat aan het bestreden besluit onvoldoende onderzoek ten grondslag ligt en dat het niet wordt gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering. Eisers krijgen dus gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Vergunninghoudster heeft op 9 augustus 2024 een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend voor het kappen en vervangen van 19 bomen aan de [straat 1] in Zoetermeer. Vergunninghoudster heeft deze omgevingsvergunning aangevraagd naar aanleiding van een verzoek en handtekeningenactie van enkele omwonenden die overlast ervaarden van deze bomen dicht bij hun huis.
2.1.
Met het primaire besluit van 14 oktober 2024 heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning verleend.
2.2.
Eisers wonen aan de [straat 2] en de [straat 3] in Zoetermeer.
2.3.
Met het bestreden besluit van 27 mei 2025 op het bezwaar van eisers is het college bij het primaire besluit gebleven.
2.4.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.5.
Het college heeft gereageerd met een verweerschrift.
2.6.
Op 31 december 2025 hebben eisers een boominventarisatie door
[naam] van [bedrijf] overgelegd.
2.7.
De rechtbank heeft het beroep op 15 januari 2026 op zitting behandeld. Eisers hebben hieraan deelgenomen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Vergunninghoudster heeft zich laten vertegenwoordigden door haar gemachtigden.

Beoordeling door de rechtbank

Juridisch kader
3. Ingevolge artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet (Ow) is het verboden om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten, tenzij het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval.
3.1.
Ingevolge artikel 22.8 van de Ow geldt, voor zover op grond van een bepaling in een gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist voor een geval waarin regels over de fysieke leefomgeving op grond van artikel 2.7, eerste lid, alleen in het omgevingsplan mogen worden opgenomen, een zodanige bepaling als een verbod om zonder omgevingsvergunning een activiteit te verrichten als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a.
3.2.
Uit paragraaf 6.4.1. van het Bomenbeleid Zoetermeer 2020 (het Bomenbeleid) blijkt het volgende:
Een (her)inrichting komt voor bij groot onderhoud, waarbij de inrichting van het betreffende gebied wordt aangepast. Bij reconstructies gaat het om werkzaamheden als de verbreding van een weg, de aanleg van een rotonde etc. Ook (beheer)problemen met bomen kunnen aanleiding zijn voor een reconstructie en/of herinrichting. In een wijk en/of straat die (her)ingericht wordt of waar een reconstructie wordt uitgevoerd zijn de omwonenden de direct belanghebbenden. Deze belanghebbende worden uitgenodigd met betrekking tot samenspraak bij de inrichting en het beheer van hun straat. We verplaatsen ons in de Zoetermeerder en door de inwoners erbij te betrekken bereiken we meer. In een vroeg stadium bij (her)inrichting vragen we om de inbreng van de omgeving. Bij herinrichting speelt onder meer de keuze tussen behoud of het inspelen op veranderende wensen een rol.
3.3.
Ingevolge paragraaf 7.2 van het Bomenbeleid wordt het belang voor het verwijderen van een boom onderverdeeld in twee categorieën:
Gevaarlijke situaties, veiligheid en sterk afnemende kwaliteit/conditie
Zwaarwegend (maatschappelijk) belang.
3.4.
Ingevolge paragraaf 7.2.2. van het Bomenbeleid kan de categorie ‘zwaarwegend (maatschappelijk) belang’ verder worden onderverdeeld in:
Ontwikkeling, reconstructies en/of herinrichting;
Overlast.
De beroepsgronden van eisers
4. Eisers betogen dat het bestreden besluit onzorgvuldig is genomen omdat het college het verwijderingsbelang van de betrokken bomen onvoldoende heeft onderbouwd. Hiertoe voeren zij aan dat het college zich ten onrechte op het standpunt stelt dat sprake is van een verwijderingsbelang op grond van worteldruk, overlast of schaduwwerking. Volgens eisers blijkt uit het advies van de Externe Adviescommissie Bomen (EAB) van 13 maart 2017 geen verwijderingsbelang op grond van worteldruk, overlast of schaduwwerking. Ook betogen eisers dat geen sprake is van een zwaarwegend (maatschappelijk) belang op basis waarvan de betrokken bomen moeten worden gekapt. Eisers verwijzen naar een door hen overlegde boominventarisatie van 21 november 2025. Verder menen eisers dat het college geen volledige openheid van zaken heeft gegeven ten aanzien van de herinrichting van het park en de te kappen bomen. De herplantverplichting is volgens eisers in strijd met het advies van de AEB. Tot slot betogen eisers dat het college een onzorgvuldig participatietraject heeft gevolgd. Hiertoe voeren zij aan dat de optie ‘handhaven van de huidige structuur’ niet aan de bewoners is voorgelegd. Bovendien is de handtekeningenlijst die voorafging aan het advies van de EAB van 13 maart 2017 slechts door een minderheid van de bewoners ondertekend. Het college heeft ten onrechte de wensen van tegenstanders van de kap niet meegewogen, aldus eisers.
Het standpunt van het college
4.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat de omgevingsvergunning voor de kap van de bomen niet is verleend in het kader van veiligheid, maar dat het verwijderingsbelang bestaat uit een zwaarwegend maatschappelijk belang in het kader van de herinrichting van de locatie. Met deze herinrichting is volgens het college voldaan aan het advies van de EAB van 13 maart 2017. De noodzaak om actie te ondernemen met betrekking tot een vervangende boomstructuur is door de EAB bevestigd met de e-mail van
28 november 2022. Verder meent het college dat er een uitvoerig participatietraject heeft plaatsgevonden, waarbij bewoners hebben kunnen stemmen over een herinrichtingsontwerp voor de locatie.
Veiligheidsbelang
4.2.
De rechtbank overweegt dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de omgevingsvergunning niet is verleend in het kader van veiligheid. Door het college is gesteld nog gebleken dat sprake is van een gevaarlijke situatie waardoor op grond van paragraaf 7.2, onder 1, van het Bomenbeleid een verwijderingsbelang bestaat. Uit overweging 2.2 van het primaire besluit volgt namelijk dat het verwijderingsbelang bestaat uit een zwaarwegend belang waarbij sprake is van een herinrichting. Uit de door eisers overgelegde boominventarisatie volgt dat het niet noodzakelijk is om de desbetreffende bomen te kappen in het kader van een veiligheidsbelang. De rechtbank ziet in deze inventarisatie geen aanleiding om aan te nemen dat het bestreden besluit op dit punt onvoldoende is gemotiveerd, nu een veiligheidsbelang niet aan dat besluit ten grondslag ligt.
Ecologisch onderzoek
4.3.
Voor zover eisers met verwijzing naar de door hen overgelegde boominventarisatie betogen dat onvoldoende ecologisch onderzoek is uitgevoerd naar een mogelijke vlieg- en fourageerroute voor vleermuizen, overweegt de rechtbank het volgende. Aan het bestreden besluit ligt een quick scan flora en fauna van 19 maart 2024 ten grondslag. In deze quick scan is aandacht besteed aan de mogelijke aanwezigheid van vleermuizen. Volgens de quick scan zijn er bij de te kappen bomen geen aanwijzingen gevonden voor verblijfsplaatsen voor vleermuizen. De door eisers overgelegde boominventarisatie geeft geen concrete aanknopingspunten voor de aanwezigheid van vleermuizen. Om die reden volgt de rechtbank eisers niet in hun betoog dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar de gevolgen van de bomenkap voor vleermuizen.
Advies van de EAB en de onderbouwing van het verwijderingsbelang
4.4.
Het bestreden besluit is gebaseerd op deskundigenadviezen van de EAB. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) mag het college in beginsel mag afgaan op een deskundigenadvies, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Het overnemen van een deskundigenadvies behoeft in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders, als een andere partij een advies van een andere deskundig te achten persoon of instantie heeft overgelegd of concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht. [1]
4.5.
De rechtbank stelt vast dat de EAB op 13 maart 2017 een advies heeft uitgebracht naar aanleiding van het verzoek van twee omwonenden die in hoekwoningen wonen die grenzen aan het park. Deze verzoekers ervaren overlast van de bomen en hebben het college verzocht de bomen te verwijderen en te vervangen door nieuwe bomen die verder van de woningen staan. Ter ondersteuning van hun verzoek hebben de twee omwonenden van 11 omliggende huishoudens handtekeningen verzameld. De EAB heeft in het advies van
13 maart 2017 geadviseerd dat, hoewel de destijds actuele situatie onvoldoende redenen gaf om in te grijpen, het vanuit beheeroogpunt verstandig was om na te denken over een vervangende boomstructuur binnen een termijn van vijf jaar. Hierbij heeft de EAB geadviseerd om bij de aanleg van een nieuwe speelplek nieuwe bomen te planten op een afstand van vijf tot zeven meter van woningen af. Ook heeft de EAB geadviseerd om de meningen van de bewoners aan de [straat 1] , [straat 2] en [straat 3] te inventariseren. Met de e-mail van 28 november 2022 heeft de EAB bevestigd dat het advies van 13 maart 2017 nog steeds actueel is.
4.6.
De rechtbank stelt aan de hand van het dossier vast dat meerdere van de bomen die in het advies van de EAB worden besproken, op een afstand van ongeveer 7 meter van woningen staan. Uit het advies blijkt niet waarom ook deze bomen, die op ruimere afstand van woningen staan, moeten worden gekapt in verband met toekomstige overlast en een ter voorkoming daarvan ter hand te nemen herinrichting. Het advies van de EAB van
13 maart 2017 wijst in zoverre vooral op de noodzaak van herinrichting, gerelateerd aan bomen die dicht bij woningen staan. De rechtbank neemt verder in aanmerking dat het advies van de EAB slechts beperkt geactualiseerd is. Er is geen nieuw, integraal advies uitgebracht dat specifiek ingaat op de noodzaak van de kap van alle bomen. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het advies van de EAB van 13 maart 2017 onvoldoende concludent is om ten grondslag te worden gelegd aan het bestreden besluit. De rechtbank betrekt daarbij verder dat uit punt 4b van het participatieverslag, dat is opgesteld naar aanleiding van de bewonersbijeenkomst van 5 september 2024 en ingezonden vragen, volgt dat het college nog geen plannen heeft voor het verwijderen van de 11 bomen die niet op korte afstand tot woningen staan. Dit is door het college ter zitting erkend. Hoewel het college ter zitting heeft verduidelijkt dat niet alle bomen tegelijk worden weggehaald om een kaalslag te voorkomen, ontbreekt het aan een duidelijke tijdlijn waarbinnen de bomen worden gekapt en vervangen. Dit is naar het oordeel van de rechtbank moeilijk te rijmen met het standpunt van het college dat een omgevingsvergunning moet worden verleend die voorziet in het kappen van alle bomen.
4.7.
Over het betoog van eisers dat de belangen van alle omwonenden onvoldoende in de afweging zijn betrokken, overweegt de rechtbank het volgende. Uit paragraaf 6.4.1. van het Bomenbeleid volgt dat de inbreng van de omgeving van belang is bij de herinrichting van een locatie. Het Bomenbeleid vereist – anders dan eisers betogen – niet dat het college ook de optie van behoud van bomen aan omwonenden voorlegt. Het college dient op basis van het beleid en het deskundigenadvies van de EAB een belangenafweging te maken, waarbij de inbreng van omwonenden wordt betrokken. De meerderheid van stemmen hoeft daarbij niet doorslaggevend hoeft te zijn. Dat de EAB in het advies van 13 maart 2017 heeft verzocht om meer handtekeningen te verzamelen, wijst erop dat is getracht de inbreng van de omgeving te vergroten. Dat is op zichzelf in lijn met voormelde paragraaf van het Bomenbeleid. Uit onderdeel 3. van het advies van 13 maart 2017 leidt de rechtbank evenwel af dat om handtekeningen is gevraagd om de achterban voor kap van de bomen te bepalen. Onvoldoende duidelijk wordt in hoeverre de opvatting van omwonenden die tegen de kap zijn in de advisering van de EAB is betrokken. Dit blijkt ook niet uit het bestreden besluit. Omdat de noodzaak tot herinrichting in de advisering is gekoppeld aan beheerproblemen en het voorkomen van overlast, ligt het nog meer voor de hand dat het college de opvattingen van zowel voor- als tegenstanders van kap kenbaar in de afweging betrekt.
4.8.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd. Het betoog van eisers dat het verwijderingsbelang onvoldoende is gemotiveerd en dat de opvattingen van omwonenden daarbij onvoldoende zijn betrokken, slaagt. Aan een beoordeling van de beroepsgrond van eisers over de omvang en uitvoering van de herplantplicht komt de rechtbank daarom niet toe.
Deskundigenkosten
5. Eisers verzoeken een vergoeding van een bedrag van € 641,30 aan deskundigenkosten voor het inschakelen van [naam] van [bedrijf] .
5.1.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat de kosten voor het inschakelen van een deskundige voor vergoeding in aanmerking komen als het inroepen van die deskundige redelijk was en de deskundigenkosten zelf redelijk zijn. [2] Voor de vraag of het inroepen van een deskundige redelijk was, kan in het algemeen als maatstaf worden gehanteerd of degene die deze deskundige heeft ingeroepen, gezien de feiten en omstandigheden zoals die bestonden ten tijde van inroeping, ervan uit mocht gaan dat de deskundige een relevante bijdrage zou leveren aan een voor hem gunstige beantwoording door de rechter van een voor de uitkomst van het geschil mogelijk relevante vraag.
5.2.
De rechtbank is van oordeel dat aan deze maatstaf is voldaan. Hoewel de door eisers overgelegde boominventarisatie hoofzakelijk ziet op het verwijderingsbelang in het kader van veiligheid, dat gelet op hetgeen onder 4.2 overwogen niet aan de orde is, volgt uit deze boominventarisatie dat voor alle onderzochte bomen een verdere levensduur van tenminste 15 jaar mogelijk is, mits de juiste instandhoudingsmaatregelen worden toegepast. Deze conclusie sluit aan bij het door eisers gevoerde betoog dat niet alle bomen gekapt hoeven te worden. De kosten voor het opstellen van de boominventarisatie komen dan ook voor vergoeding in aanmerking.
5.3.
Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit proceskosten bestuursrecht in samenhang met artikel 8:36, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient het bedrag van de te vergoeden deskundigenkosten te worden vastgesteld overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens de Wet tarieven in strafzaken. Ingevolge artikel 6 van Pro het Besluit tarieven in strafzaken 2003 geldt voor werkzaamheden waarvoor geen speciaal tarief is bepaald, naar gelang de werkzaamheden niet of in meer of mindere mate van wetenschappelijke of bijzondere aard zijn, een (uur)tarief van maximaal € 162,63 in 2025. Eisers hebben een factuur van [bedrijf] van 16 december 2025 overgelegd, voor een bedrag € 641,30 inclusief 21% BTW. Op deze factuur is niet vermeld hoeveel uren aan het opstellen van de boominventarisatie is besteed. Eisers hebben ook geen urenspecificatie overgelegd. Gelet op het totaalbedrag van de factuur is uitgaande van een uurtarief van
€ 162,63, ongeveer 3 uur en een kwartier gemoeid met het opstellen van de rapportage. Naar het oordeel van de rechtbank is daarom sprake van redelijke kosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing over het bezwaar te nemen. Dit omdat het aan het college is om nader onderzoek te verrichten en op basis daarvan een belangenafweging te maken. Ook draagt de rechtbank niet aan het college op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om deze zaak af te doen.
6.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat het college een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. Het college dient met dit nieuwe besluit te motiveren, zo nodig op basis van nader advies van de EAB, waarom het ten behoeve van de voorgenomen herinrichting noodzakelijk is om alle bomen te kappen. In de te maken afweging dient het college verder kenbaar de opvattingen van voor- en tegenstanders van kap te betrekken. De rechtbank geeft het college hiervoor een termijn van twaalf weken, om het college in de gelegenheid te stellen nader onderzoek te verrichten en zo nodig eisers naar aanleiding daarvan opnieuw in bezwaar te laten horen.
6.2.
Omdat het beroep gegrond is, moet het college het griffierecht aan eisers vergoeden en krijgen eisers ook een vergoeding van hun proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De rechtbank kent aan eisers een bedrag van € 32,- toe, zijnde reiskosten naar de rechtbank op basis van de reiskosten van het openbaar vervoer tweede klas. Verder kent de rechtbank aan eisers een bedrag van € 641,30 toe voor de vergoeding van de deskundigenkosten voor de bomeninventarisatie. De totale vergoeding voor de proceskosten van eiseres bedraagt daarmee € 673,30. Er zijn geen verdere kosten gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 27 mei 2025;
- draagt het college op binnen twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,- aan eisers moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 673,30 aan proceskosten aan eisers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.H. van den Ende, rechter, in aanwezigheid van
mr. E.M.J. Kemper, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
26 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 20 maart 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:1155).
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 1 oktober 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:3553).