ECLI:NL:RBDHA:2026:5736

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
18 maart 2026
Zaaknummer
NL26.4416 en NL26.4417
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 4 HandvestArt. 17 DublinverordeningArt. 8:54 AwbArt. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Kroatië

Eiser, met Turkse nationaliteit, diende een asielaanvraag in die door de minister van Asiel en Migratie niet in behandeling werd genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn aanvraag. Eiser betwist dit en voert aan dat Kroatië tekortschiet in de opvang en dat hij risico loopt op schending van zijn rechten, onder meer door pushbacks en mishandeling in Kroatië.

De rechtbank stelt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt, waarbij wordt aangenomen dat lidstaten hun verdragsverplichtingen nakomen. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft eerder geoordeeld dat Dublinclaimanten in Kroatië niet aannemelijk een reëel risico lopen op pushbacks. Eiser heeft onvoldoende onderbouwing geleverd dat dit voor hem anders is, ook niet met medische stukken of bewijs van trauma.

De rechtbank oordeelt dat verweerder terecht heeft besloten de aanvraag niet in behandeling te nemen en dat er geen bijzondere individuele omstandigheden zijn die toepassing van artikel 17 van Pro de Dublinverordening rechtvaardigen. Het beroep wordt daarom kennelijk ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.4416 en NL26.4417
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser en verzoeker (hierna: eiser)

(gemachtigde: mr. N. Vollebergh),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 26 januari 2026 niet in behandeling genomen, omdat Kroatië verantwoordelijk is voor behandeling van de aanvraag.

Beoordeling door de rechtbank

Geen zitting
2. De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting. Het beroep is namelijk kennelijk ongegrond. [1] Hieronder legt de rechtbank dit uit.
Waar gaat deze zaak over?
3. Eiser stelt de Turkse nationaliteit te hebben en op [geboortedatum] 1995 te zijn geboren. Verweerder heeft de asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Kroatië verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en is van oordeel dat dit onvoldoende is gemotiveerd. Eiser verzoekt om hetgeen hij in de zienswijze naar voren heeft gebracht als herhaald en ingelast te beschouwen. Eiser voert aan dat er sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang, zoals systeemfouten en dat verweerder niet had mogen uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Kroatië. Eiser verwijst hierbij naar het meest recente AIDA-rapport, waaruit blijkt dat er pushbacks plaatsvinden en dat Dublinterugkeerders een risico lopen op schending van artikel 4 van Pro het Handvest. [2] Verder beroept eiser zich op artikel 17 van Pro de Dublinverordening. Volgens eiser is er sprake van bijzondere individuele omstandigheden. Eiser is in Kroatië slachtoffer geworden van mishandelingen, vernederingen en hem werd voedsel en drinken onthouden. Hierdoor is eiser getraumatiseerd en hij vindt het ontoelaatbaar dat hij terug moet naar het land waar deze klachten zijn ontstaan.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
5. De rechtbank stelt voorop dat het uitgangspunt is dat verweerder er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel van mag uitgaan dat lidstaten van de Europese Unie hun verdragsverplichtingen, waaronder de Opvangrichtlijn, tegenover asielzoekers zullen nakomen. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken indien eiser aannemelijk maakt dat het asiel- en opvangsysteem dusdanige tekortkomingen vertoont dat hij bij overdracht aan een van deze lidstaten, in dit geval Kroatië, een reëel risico loopt op een behandeling strijdig met artikel 3 van Pro het EVRM [3] of artikel 4 van Pro het Handvest.
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder ten aanzien van Kroatië uit mag gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. In de uitspraak van 9 oktober 2024 [4] heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) zich uitgelaten over de vraag of Dublinclaimanten in Kroatië een reëel risico lopen om slachtoffer te worden van een pushback. Hoewel uit de bij die Afdelingsuitspraak betrokken landeninformatie blijkt dat pushbacks over het gehele grondgebied van Kroatië (kunnen) worden uitgevoerd en dat Dublinclaimanten niet kunnen worden onderscheiden van andere asielzoekers, heeft de Afdeling geoordeeld dat niet aannemelijk is dat Dublinclaimanten in Kroatië een reëel risico lopen om slachtoffer te worden van een pushback. De Afdeling acht in dit verband van zwaarwegend belang dat uit het op dat moment meest recente AIDA-rapport blijkt dat er in beginsel geen obstakels voor Dublinclaimanten zijn om toegang te krijgen tot de Kroatische asielprocedure en dat er geen gedocumenteerde gevallen bekend zijn van Dublinclaimanten die slachtoffer zijn geworden van een pushback. De theoretische mogelijkheid dat Dublinclaimanten slachtoffer kunnen worden van een pushback omdat zij niet van andere asielzoekers kunnen worden onderscheiden, acht de Afdeling onvoldoende om te oordelen dat Dublinclaimanten in Kroatië een reëel risico lopen om slachtoffer te worden van een pushback. De Afdeling heeft dit bevestigd in de uitspraak van 21 november 2025. [5] De landeninformatie waar eiser zich op beroept geeft op de relevante punten geen ander beeld en is dus onvoldoende om tot de conclusie te komen dat inmiddels sprake is van structurele tekortkomingen.
5.2.
De verklaringen van eiser over de behandeling die hij kreeg in Kroatië doen hier niet aan af. Deze zien op zijn ervaringen kort nadat hij illegaal het land was ingereisd. Nog daargelaten dat het hierbij gaat om niet onderbouwde stellingen, geldt dat hij nog niet eerder als Dublinclaimanten is overgedragen aan Kroatië. Hierdoor kan eiser niet met eigen ervaringen onderbouwen dat hij na de overdracht geen toegang zal krijgen tot de asielprocedure of opvang. Mocht eiser evenwel in Kroatië problemen ervaren, dan dient hij zich hiervoor wenden tot de (hogere) Kroatische autoriteiten. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit voor hem niet mogelijk is of dat de Kroatische autoriteiten hem niet zouden kunnen of willen helpen.
Artikel 17 van Pro de Dublinverordening
6. Naar oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat verweerder gehouden was om gebruik te maken van zijn discretionaire bevoegdheid die volgt uit artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Verweerder heeft in dit geval in redelijkheid mogen beslissen dat geen sprake is van bijzondere individuele omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden afgezien van overdracht aan Kroatië. Eiser heeft zijn ervaringen niet onderbouwd en hij heeft evenmin, met bijvoorbeeld medische stukken, onderbouwd dat hij dusdanig is getraumatiseerd door wat hem in Kroatië is overkomen dat het van onevenredige hardheid getuigt om hem over te dragen. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

7. De beroepsgronden slagen niet. Het bestreden besluit is met voldoende zorgvuldigheid tot stand gekomen en deugdelijk gemotiveerd. De rechtbank twijfelt hier niet over. Daarom is het beroep kennelijk ongegrond.
8. Nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit [6] , wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.
9. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van M. Ramdihal, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak op het beroep, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 8:54, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
3.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
4.Zie uitspraak van de Afdeling van 9 oktober 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:4037).
5.Zie uitspraak van de Afdeling van 21 november 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:5635).
6.Op grond van artikel 8:81 en Pro 8:83, derde lid, van de Awb.