ECLI:NL:RBDHA:2026:5737
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Duitsland op grond van Dublinverordening
Eiser, een Turkse nationaliteit dragende vreemdeling, diende op 21 januari 2026 een asielaanvraag in Nederland in. De minister van Asiel en Migratie nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Duitsland op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag. Dit werd bevestigd door het Eurodac-systeem en de acceptatie van het terugnameverzoek door Duitsland op 26 januari 2026.
Eiser voerde aan dat overdracht aan Duitsland zou leiden tot terugzending naar Turkije en dat Duitsland systematische tekortkomingen kent in de asielprocedure, opvangvoorzieningen, toegang tot zorg en rechtsbijstand, wat in strijd zou zijn met het EVRM en het Handvest van de grondrechten van de EU. De rechtbank oordeelde dat eiser deze tekortkomingen niet aannemelijk had gemaakt en dat het interstatelijke vertrouwensbeginsel geldt, waarbij wordt uitgegaan van naleving van Europese normen door Duitsland.
De rechtbank stelde vast dat medische zorg en rechtsbijstand in Duitsland vergelijkbaar zijn met die in Nederland en dat het beroep van eiser kennelijk ongegrond is. Het bestreden besluit blijft daarmee in stand en eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.