ECLI:NL:RBDHA:2026:5737

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 maart 2026
Publicatiedatum
18 maart 2026
Zaaknummer
NL 26 8391
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 3 EVRMArt. 4 HandvestArt. 18 Verordening (EU) Nr. 604/2013Art. 30 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Duitsland op grond van Dublinverordening

Eiser, een Turkse nationaliteit dragende vreemdeling, diende op 21 januari 2026 een asielaanvraag in Nederland in. De minister van Asiel en Migratie nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Duitsland op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag. Dit werd bevestigd door het Eurodac-systeem en de acceptatie van het terugnameverzoek door Duitsland op 26 januari 2026.

Eiser voerde aan dat overdracht aan Duitsland zou leiden tot terugzending naar Turkije en dat Duitsland systematische tekortkomingen kent in de asielprocedure, opvangvoorzieningen, toegang tot zorg en rechtsbijstand, wat in strijd zou zijn met het EVRM en het Handvest van de grondrechten van de EU. De rechtbank oordeelde dat eiser deze tekortkomingen niet aannemelijk had gemaakt en dat het interstatelijke vertrouwensbeginsel geldt, waarbij wordt uitgegaan van naleving van Europese normen door Duitsland.

De rechtbank stelde vast dat medische zorg en rechtsbijstand in Duitsland vergelijkbaar zijn met die in Nederland en dat het beroep van eiser kennelijk ongegrond is. Het bestreden besluit blijft daarmee in stand en eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.8391

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. J.J.J. Jansen),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

In het besluit van 14 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen omdat Duitsland daarvoor verantwoordelijk is.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft eiser in de gelegenheid gesteld om uiterlijk op 13 maart 2026 schriftelijk de beroepsgronden compleet te maken. Op 12 maart 2026 heeft eiser van deze gelegenheid gebruik gemaakt. Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek gesloten op 16 maart 2026.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Beoordeling door de rechtbank

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 2000 en de Turkse nationaliteit te hebben. Op 8 januari 2026 is hij in Nederland staande gehouden en is vastgesteld dat hij in Nederland geen rechtmatig verblijf heeft. Eiser heeft vervolgens asiel aangevraagd en daartoe op 21 januari 2026 een formulier ondertekend.
2. In het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 omdat Duitsland daarvoor verantwoordelijk is. Uit het Eurodac-systeem is namelijk gebleken dat eiser eerder in Duitsland asiel heeft aangevraagd. In het Eurodac-systeem registreren de lidstaten van de Europese Unie aan de hand van vingerafdrukken onder meer waar en wanneer een vreemdeling asiel heeft aangevraagd. Op 26 januari 2026 hebben de Duitse autoriteiten het verzoek om eiser terug te nemen geaccepteerd op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Verordening (EU) Nr. 604/2013 (Dublinverordening).
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij voert aan dat hij na overdracht aan Duitsland zal worden teruggestuurd naar Turkije. Ook voert hij aan dat overdracht in strijd zou zijn met artikel 3 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 4 van Pro het Handvest voor de grondrechten van de Europese Unie (Handvest). Volgens eiser is er in Duitsland namelijk sprake van structurele tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen, en heeft hij daar geen toegang tot zorg en gratis rechtsbijstand.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Binnen de Europese Unie geldt het uitgangspunt dat de lidstaten er over en weer op kunnen vertrouwen dat het Europese recht wordt nageleefd. Bij het beantwoorden van de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is voor het behandelen van een asielaanvraag, kan alleen van dit uitgangspunt worden afgeweken als een asielzoeker aannemelijk maakt dat er in de verantwoordelijke lidstaat sprake is van systematische tekortkomingen in de asielprocedure of in de opvangvoorzieningen. Dit staat in artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening.
5. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat er in Duitsland sprake is van dergelijke systematische tekortkomingen. Dit brengt mee dat er vanuit moet worden gegaan dat eiser na overdracht aan Duitsland in overeenstemming met het Europese recht zal worden behandeld. In dat kader zijn de Duitse autoriteiten gebonden aan de verplichtingen die voortvloeien uit de artikelen 3 van het EVRM en 4 van het Handvest. Voor zover eiser bedoelt aan te voeren dat hij in Turkije risico’s loopt, kan een beoordeling hiervan niet in deze procedure plaatsvinden. Dit volgt ook uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2359.
6. Niet gebleken is dat eiser specialistische medische zorg nodig heeft. Het hierboven besproken interstatelijke vertrouwensbeginsel brengt mee dat er vanuit mag worden gegaan dat de medische voorzieningen in Duitsland vergelijkbaar zijn met die in Nederland. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit niet het geval is.
7. Daarnaast heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat het systeem van rechtsbijstand in Duitsland voor Dublinclaimanten in strijd is met de artikelen 19 en 20 van de Richtlijn 2013/32/EU (Procedurerichtlijn). Uit deze artikelen volgt dat niet iedere vreemdeling onvoorwaardelijk recht heeft op gratis rechtsbijstand en dat de lidstaten de mogelijkheid hebben om kosteloze rechtsbijstand niet aan te bieden als een beroep volgens een bevoegde autoriteit geen kans van slagen heeft.
8. De conclusie is dat het beroep kennelijk ongegrond is. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Het bestreden besluit blijft in stand. Eiser krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 16 maart 2026 door mr. dr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.