Eiser, afkomstig uit Syrië, diende op 4 maart 2024 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister moest op grond van de Vreemdelingenwet 2000 binnen zes maanden beslissen, maar verlengde deze termijn aanvankelijk met negen maanden onder een beleidsbesluit dat later werd ingetrokken. Hierdoor gold weer een beslistermijn van zes maanden.
Vanwege het besluitmoratorium voor Syrië, dat liep van 14 december 2024 tot en met 13 juni 2025, werd de beslistermijn verlengd met één jaar tot maximaal 21 maanden. De aanvraag van eiser viel onder dit moratorium, waardoor de minister uiterlijk op 4 september 2025 moest beslissen. Eiser stelde de minister op 24 september 2025 in gebreke en stelde daarna beroep in tegen het niet tijdig beslissen.
De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is omdat de minister de beslistermijn heeft overschreden. De rechtbank legt een nieuwe beslistermijn van acht weken op, rekening houdend met het belang van zorgvuldige besluitvorming en het feit dat eiser nog niet is gehoord over zijn asielmotieven. Tevens wordt een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000 opgelegd voor het geval de minister niet binnen deze termijn beslist.
Daarnaast wordt de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser van €467, vanwege de inschakeling van professionele juridische hulp bij het indienen van het beroepschrift. De uitspraak is gedaan door rechter A. Skerka en griffier A.W. van Eerden op 18 maart 2026.