Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op haar aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister ontving de aanvraag op 26 april 2024 en moest binnen zes maanden beslissen. Eiseres stelde de minister op 11 november 2025 in gebreke, maar het beroep werd pas daarna ingediend, wat echter niet tot niet-ontvankelijkheid leidde.
De rechtbank overweegt dat de beslistermijn van 21 maanden inmiddels is overschreden en dat eiseres nog niet is gehoord over haar asielmotieven. Daarom legt de rechtbank een nadere beslistermijn van acht weken op waarbinnen de minister alsnog moet besluiten. Tevens wordt een dwangsom van € 100,- per dag opgelegd met een maximum van € 15.000,- voor elke dag dat de minister deze termijn overschrijdt.
De rechtbank kan de hoogte van de bestuurlijke dwangsom niet vaststellen omdat de wettelijke bepalingen hierover sinds 15 april 2025 niet meer van kracht zijn, tenzij aan specifieke voorwaarden is voldaan die hier niet aanwezig zijn. Daarnaast veroordeelt de rechtbank de minister tot betaling van proceskosten aan eiseres van € 467,- wegens inschakeling van professionele juridische hulp. De uitspraak is gedaan door rechter A. Skerka en griffier A.W. van Eerden op 18 maart 2026.