ECLI:NL:RBDHA:2026:5871

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 januari 2026
Publicatiedatum
19 maart 2026
Zaaknummer
NL25.42747
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 42 Vw 2000Art. 43 Vw 2000Art. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 4 Besluit tot instelling van het besluitmoratorium
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen op asielaanvraag Syriër door minister

Eiser, een Syrische asielzoeker, diende op 13 februari 2024 een asielaanvraag in bij de minister van Asiel en Migratie. De minister heeft niet binnen de wettelijke termijn van zes maanden beslist. Door een besluit- en vertrekmoratorium voor Syrië, ingesteld op 14 december 2024, is de beslistermijn verlengd met een jaar, waardoor een termijn van achttien maanden geldt.

Eiser stelde op 4 september 2025 beroep in tegen het niet tijdig beslissen, nadat hij op 19 augustus 2025 een ingebrekestelling had gestuurd en de minister niet binnen twee weken had beslist. De rechtbank oordeelt dat de minister de maximale beslistermijn van 21 maanden inmiddels heeft overschreden.

De rechtbank verklaart het beroep ontvankelijk en gegrond, vernietigt het niet tijdig genomen besluit en draagt de minister op binnen acht weken na de uitspraak alsnog een besluit te nemen. Tevens wordt een dwangsom van € 100 per dag met een maximum van € 7.500 opgelegd voor elke dag dat de minister in gebreke blijft. De minister wordt ook veroordeeld in de proceskosten van € 934 die eiser redelijkerwijs heeft moeten maken.

Uitkomst: De rechtbank beveelt de minister binnen acht weken alsnog een besluit te nemen op de asielaanvraag en legt een dwangsom op bij overschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.42747

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser, V-nummer: [v-nummer] ,

(gemachtigde: mr. A.G.P. de Boon),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van 4 september 2025 van eiser tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag [1] door verweerder.
1.1.
Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 15 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van eiser deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser heeft de Syrische nationaliteit en stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 2005. Hij heeft een asielaanvraag ingediend op 13 februari 2024, maar verweerder heeft op deze aanvraag nog niet beslist. Omdat eiser vindt dat verweerder te laat is met het beslissen op zijn aanvraag heeft hij dit beroep niet-tijdig beslissen ingesteld op 4 september 2025.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser voert aan dat verweerder te laat is met het beslissen op zijn asielaanvraag. De termijn om te beslissen eindigde volgens eiser op 14 augustus 2025, achttien maanden na de asielaanvraag. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft eiser gewezen op uitspraken [2] van verschillende zittingsplaatsen waarin wordt uitgegaan van deze berekening van de beslistermijn.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

4. Als een bestuursorgaan niet tijdig beslist, dan kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep in kan stellen, moet de betrokkene schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog moet worden beslist op zijn aanvraag (de ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog geen besluit is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen. [3]
4.1.
Op grond van artikel 42, eerste lid, van de Vw 2000 neemt verweerder in beginsel binnen zes maanden na ontvangst van een asielaanvraag een besluit.
4.2.
Met ingang van 14 december 2024 gold voor Syrië echter een besluit- en vertrekmoratorium voor de duur van zes maanden. [4] Met het instellen van dit besluitmoratorium is op grond van artikel 43 van Pro de Vw 2000 voor de duur van zes maanden de wettelijke beslistermijn van lopende asielaanvragen en van asielaanvragen die tijdens het moratorium werden ingediend, verlengd met een periode van een jaar tot ten hoogste 21 maanden. Dit geldt ook voor aanvragen waarvan de beslistermijn van zes maanden al is verstreken op het moment van de inwerkingtreding van het besluitmoratorium. [5]
4.3.
In geval van aanvragen waarbij de beslistermijn al was verstreken op het moment van inwerkingtreding van het moratorium, heeft deze rechtbank eerder aangenomen dat de verlenging van een jaar ingaat op het moment van inwerkingtreding van het moratorium. Hiermee eindigde de beslistermijn op 14 december 2025, tenzij de 21-maandentermijn al daarvoor was verstreken. Verweerder heeft in een zaak die op dezelfde zitting is behandeld het standpunt ingenomen dat de beslistermijn inderdaad – zoals eiser stelt – achttien maanden na de asielaanvraag eindigt. In de standpunten van eiser en verweerder ziet de rechtbank aanleiding om thans aan te nemen dat de oorspronkelijke beslistermijn van zes maanden door het moratorium met een jaar is verlengd. In beginsel geldt dus voor alle asielaanvragen die vóór en tijdens het moratorium zijn ingediend een beslistermijn van bij elkaar opgeteld achttien maanden.
4.4.
Niet is gebleken dat eiser valt onder één van de categorieën die zijn uitgesloten van de werking van het besluitmoratorium. [6] Na het verstrijken van de beslistermijn van achttien maanden heeft verweerder op 19 augustus 2025 een ingebrekestelling ontvangen. Hierna heeft eiser tenminste twee weken gewacht voordat hij op 4 september 2025 dit beroep instelde.

Conclusie en gevolgen

5. Gelet op het voorgaande is het beroep ontvankelijk en is er sprake van een overschrijding van de beslistermijn. De rechtbank verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag daarom gegrond. Aangezien het beroep gegrond is en nog geen besluit bekend is gemaakt, zal de rechtbank verweerder opdragen alsnog een besluit te nemen. Daarbij zal de rechtbank verweerder een termijn stellen voor het nemen van het nieuwe besluit. [7]
6. Uit het procesdossier blijkt dat de maximale beslistermijn van 21 maanden inmiddels is overschreden. De rechtbank neemt in dat geval het uitgangspunt dat verweerder binnen acht weken op de asielaanvraag moet beslissen. Daarom bepaalt de rechtbank dat verweerder binnen acht weken na bekendmaking van deze uitspraak een besluit aan eiser bekend moet maken.
7. De rechtbank bepaalt verder dat een dwangsom wordt verbeurd voor elke dag dat
verweerder in gebreke blijft om aan de termijn van deze uitspraak te voldoen. [8] In overeenstemming met de vaste gedragslijn van de zittingsplaats Den Haag, stelt de rechtbank de hoogte van de dwangsom vast op een bedrag van € 100,- voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden. In overeenstemming met de vaste gedragslijn wordt het maximum bepaald op € 7.500,-.
8. Gelet op het voorgaande veroordeelt de rechtbank verweerder in de kosten die
eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten stelt de rechtbank voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5). [9] De rechtbank is van oordeel dat deze zaak van licht gewicht is, omdat het alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is verstreken. Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag van eiser gegrond;
- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit te nemen op de aanvraag;
- bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 7.500,-;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, rechter, in aanwezigheid van L.B. Vrugt, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Een aanvraag als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
2.Zie onder meer de uitspraak van zittingsplaats Utrecht van 2 september 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:20870 en de uitspraak van zittingsplaats Rotterdam van 3 november 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:21167.
3.Zie de artikelen 6:2, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en 6:12, eerste en tweede lid, van de Awb.
4.Staatscourant van 13 december 2024, nr. 41538.
5.TK 1998- 1999, 26 732, nr. 3, p. 49 en TK 1998 - 1999, 26 732, nr. 7, p. 175 en 176.
6.Zie artikel 4 van Pro het Besluit tot instelling van het besluitmoratorium.
7.Op grond van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder b, van de Awb.
8.Met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb.
9.Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht.