ECLI:NL:RBDHA:2026:5933
Rechtbank Den Haag
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Teruggeleiding van internationaal ontvoerde minderjarige naar land van gewone verblijfplaats
De rechtbank Den Haag behandelde een verzoek tot teruggeleiding van een minderjarige die door de vader ongeoorloofd was overgebracht van het land van gewone verblijfplaats naar een ander land. De moeder had het verzoek ingediend op grond van het Haagse Verdrag internationale kinderontvoering. De rechtbank stelde vast dat de gewone verblijfplaats van het kind voorafgaand aan de overbrenging in het land van de moeder was, en dat de overbrenging naar het land van de vader ongeoorloofd was.
De rechtbank beoordeelde de weigeringsgronden uit het Verdrag, waaronder het risico op lichamelijk of geestelijk gevaar voor het kind bij terugkeer en het verzet van het kind. De vader voerde aan dat het kind psychisch gevaar liep en zich verzette, maar de rechtbank vond de onderbouwing onvoldoende en oordeelde dat de weigeringsgronden niet van toepassing waren.
De rechtbank gelastte de onmiddellijke terugkeer van het kind uiterlijk 6 maart 2026 en wees het verzoek van de moeder om voorlopige voogdij toe om ontvoering tijdens de tenuitvoerlegging te voorkomen. De proceskostenveroordeling werd afgewezen en de bijzondere curator werd belast met het bespreken van de uitspraak met het kind. De beschikking kan binnen twee weken worden aangevochten door hoger beroep.
Uitkomst: De rechtbank gelast de onmiddellijke terugkeer van de minderjarige naar het land van gewone verblijfplaats en wijst voorlopige voogdij toe.