ECLI:NL:RBDHA:2026:5946

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 februari 2026
Publicatiedatum
20 maart 2026
Zaaknummer
C/09/696454 / FA RK 25-9650
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Haagse VerdragArt. 11 lid 1 Uitvoeringswet internationale kinderontvoeringArt. 12 lid 1 en 2 Haagse VerdragArt. 13 lid 1 sub a en b Haagse VerdragArt. 13 lid 5 Uitvoeringswet internationale kinderontvoering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot teruggeleiding internationale kinderontvoering wegens worteling in Nederland

De vader verzocht de rechtbank om de onmiddellijke terugkeer van zijn minderjarige kind naar [land 1] te gelasten, op grond van het Haagse Verdrag inzake internationale kinderontvoering. De moeder had het kind in januari 2024 zonder toestemming van de vader meegenomen van [land 1] naar [land 2] en vervolgens naar Nederland, waar het kind sinds oktober 2024 verblijft.

De rechtbank oordeelde dat de overbrenging ongeoorloofd was omdat het gezamenlijke gezag van de ouders werd geschonden. Echter, het verzoek tot teruggeleiding werd afgewezen omdat het kind inmiddels geworteld is in Nederland. De rechtbank nam daarbij mee dat het kind sinds oktober 2024 in Nederland woont, deelneemt aan lokale voorzieningen zoals voorschool en zwemlessen, en een stabiel sociaal netwerk heeft. De moeder is de primaire hechtingsfiguur en het kind heeft nauwelijks nog binding met [land 1].

Het verzoek tot voorlopige voogdij werd eveneens afgewezen omdat de teruggeleiding niet wordt gelast. Verzoeken tot kostenveroordeling werden afgewezen en de proceskosten werden gecompenseerd. De rechtbank concludeerde dat het belang van het kind bij het handhaven van de huidige situatie zwaarder weegt dan het belang van terugkeer naar [land 1].

Uitkomst: Het verzoek tot teruggeleiding van het kind naar [land 1] wordt afgewezen vanwege worteling in Nederland.

Uitspraak

Rechtbank Den HAAG
Meervoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 25-9650
Zaaknummer: C/09/696454
Datum beschikking: 17 februari 2026

Internationale kinderontvoering

Beschikking op het op 18 december 2025 ingekomen verzoek van:

[de vader] ,

de vader,
wonende op een voor de rechtbank bekend adres in [land 1] ,
advocaat: mr. H.P. Scheer te Utrecht.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een voor de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. W.A. van der Stroom-Willemsen te Rotterdam.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
 het verzoekschrift van 17 december 2025, met bijlagen, van de zijde van de vader;
 het verweerschrift van 29 januari 2026, met bijlagen, van de zijde van de moeder;
 reactie op het verweerschrift van 2 februari 2026, met bijlagen, van de zijde van de vader;
 het F9 formulier van 3 februari 2026, met bijlagen, van de zijde van de moeder.
Op 3 februari 2026 is de zaak op de zitting van de meervoudige kamer van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
 de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
 de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
 [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming.
Namens de moeder zijn op de zitting pleitnotities overhandigd.

Feiten

 De vader en de moeder hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
 Zij zijn de ouders van de nu nog minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2023 te [geboorteplaats] , [geboorteland] .
 De ouders oefenen het gezamenlijk gezag uit over [minderjarige] .
 In januari 2024 heeft de moeder met [minderjarige] de woning van de ouders in [land 1] verlaten en is zij naar [land 2] vertrokken. Blijkens de Basisregistratie personen (BRP) staan de moeder en [minderjarige] per 11 oktober 2024 ingeschreven in Nederland.
 De vader heeft de Georgische en Israëlische nationaliteit, de moeder en [minderjarige] hebben de Russische nationaliteit.
 De vader heeft zich gewend tot de Nederlandse Centrale autoriteit (CA).

Verzoek en verweer

De vader heeft verzocht:
 met toepassing van artikel 13 van Pro de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering (de Uitvoeringswet), de onmiddellijke terugkeer van [minderjarige] te bevelen, althans de terugkeer van [minderjarige] vóór een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum te bevelen, waarbij de moeder [minderjarige] dient terug te brengen naar zijn gewone verblijfplaats aan de [adres] , [land 1] , althans [land 1] dan wel – indien de moeder nalaat [minderjarige] terug te brengen – te bepalen op welke datum de moeder [minderjarige] met de benodigde geldige reisdocumenten aan de vader zal afgeven, zodat hij [minderjarige] zelf mee terug kan nemen naar zijn gewone verblijfplaats aan de [adres] , [land 1] , althans [land 1] ;
 de moeder te veroordelen in de kosten die de vader heeft moeten maken in verband met de ontvoering en teruggeleiding;
 een gecertificeerde instelling te belasten met de voorlopige voogdij over [minderjarige] .
De moeder heeft verweer gevoerd tegen het verzoek van de vader, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Zij verzoekt de vader in de kosten van deze procedure te veroordelen.

Beoordeling

Rechtsmacht
Het verzoek van de vader is gebaseerd op het Haagse Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 (het Verdrag). Nederland en [land 1] zijn partij bij het Verdrag.
De Nederlandse rechter heeft rechtsmacht om kennis te nemen van het onderhavige teruggeleidingsverzoek, gelet op de werkelijke verblijfplaats van [minderjarige] in Nederland (zie HR 9 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU2834). Op grond van artikel 11 lid 1 van Pro de Uitvoeringswet is de rechtbank Den Haag bevoegd kennis te nemen van alle zaken met betrekking tot de gedwongen afgifte van een internationaal ontvoerd kind aan degene wie het gezag over het kind toekomt en de teruggeleiding van een zodanig kind over de Nederlandse grens.
Het Verdrag heeft – voor zover hier van belang – tot doel de onmiddellijke terugkeer te verzekeren van kinderen die ongeoorloofd zijn overgebracht naar of worden vastgehouden in een Verdragsluitende staat. Het Verdrag beoogt hiermee een zo snel mogelijk herstel van de situatie waarin het kind zich bevond direct voorafgaand aan de ontvoering of vasthouding. Een snel herstel van de aan de ontvoering of vasthouding voorafgaande situatie wordt geacht de schadelijke gevolgen hiervan voor het kind te beperken.
Ongeoorloofde overbrenging of vasthouding in de zin van artikel 3 van Pro het Verdrag
Er is sprake van ongeoorloofde overbrenging of ongeoorloofde vasthouding in de zin van het Verdrag wanneer de overbrenging of het niet doen terugkeren geschiedt in strijd met een gezagsrecht ingevolge het recht van de staat waarin het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of vasthouding zijn gewone verblijfplaats had en dit recht alleen of
gezamenlijk werd uitgeoefend op het tijdstip van het overbrengen of niet doen terugkeren, dan wel zou zijn uitgeoefend indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden (artikel 3 van Pro het Verdrag).
In januari 2024 is de moeder met [minderjarige] vanuit [land 1] naar [land 2] vertrokken. Na verloop van tijd zijn zij vanuit [land 2] naar Nederland vertrokken, waar zij sinds 11 oktober 2024 verblijven. De vader verzoekt de terugkeer naar [land 1] , van waaruit [minderjarige] in januari 2024 is meegenomen. Niet in geschil is dat [minderjarige] onmiddellijk voorafgaand aan de overbrenging van [land 1] naar [land 2] zijn gewone verblijfplaats in [land 1] had. Hij is daar immers geboren en had alleen maar in [land 1] verbleven op het moment dat de moeder met [minderjarige] naar [land 2] vertrok. Aan de vraag wat de betekenis voor de hoofdverblijfplaats is van het Russische vonnis dat is gewezen op 13 juni 2024 komt de rechtbank niet toe, nu dit vonnis is gewezen na het moment van overbrengen. Ook niet in geschil is dat de ouders voorafgaand aan de overbrenging van [land 1] naar [land 2] gezamenlijk het gezag hadden. De moeder heeft wel gesteld dat dit gezamenlijke gezag niet gezamenlijk werd uitgeoefend, wat de vader betwist. De rechtbank gaat aan deze stelling van de moeder voorbij en overweegt daartoe dat voor een gezamenlijke gezagsuitoefening voldoende is dat de ouder zich de belangen van het kind voorafgaand aan de overbrenging aantrekt. De ouder hoeft het kind daartoe niet feitelijk te hebben verzorgd en opgevoed. Nu de ouders met [minderjarige] in gezinsverband samenleefden, gaat de rechtbank er vanuit dat het gezagsrecht gezamenlijk daadwerkelijk werd uitgeoefend op het tijdstip van de overbrenging, dan wel zou zijn uitgeoefend, als de overbrenging niet had plaatsgevonden. Nu verder niet in geschil is dat de vader geen toestemming heeft gegeven voor de overbrenging naar [land 2] (en later ook naar Nederland) en dat, zoals in het voorgaande is overwogen, de overbrenging is geschied in strijd met het gezagsrecht van de vader naar Georgisch recht, komt de rechtbank tot het oordeel dat de overbrenging van [minderjarige] naar [land 2] (en later ook naar Nederland) aangemerkt moet worden als ongeoorloofd in de zin van artikel 3 van Pro het Verdrag.
Onmiddellijke terugkeer in de zin van artikel 12 van Pro het Verdrag
Ingevolge artikel 12 lid 1 van Pro het Verdrag wordt de onmiddellijke terugkeer van een kind gelast wanneer er minder dan één jaar is verstreken tussen de overbrenging of het niet doen terugkeren van een kind en het tijdstip van indiening van het verzoek bij de rechtbank.
Op grond van lid 2 van artikel 12 van Pro het Verdrag wordt de terugkeer van een kind gelast, zelfs als de termijn van één jaar is verstreken, tenzij wordt aangetoond dat het kind inmiddels is geworteld in zijn nieuwe omgeving.
De moeder heeft met [minderjarige] in januari 2024 de woning van partijen te [land 1] verlaten en [minderjarige] verblijft in ieder geval vanaf januari 2024 zonder toestemming van de vader in [land 2] en sinds 11 oktober 2024 in Nederland. Het verzoek tot teruggeleiding is op 18 december 2025 bij de rechtbank ingediend. Er is dus meer dan één jaar verstreken tussen de ongeoorloofde overbrenging en het tijdstip van indiening van het verzoek. Nu de moeder heeft gesteld dat [minderjarige] in zijn nieuwe omgeving in Nederland is geworteld, moet de rechtbank beoordelen of er sprake is van worteling – in de zin van artikel 12 lid 2 van Pro het Verdrag – van [minderjarige] in Nederland.
Voor de beantwoording van deze vraag moet zowel gekeken worden naar de fysieke als de emotionele band die [minderjarige] inmiddels met zijn huidige verblijfplaats heeft verkregen. De rechtbank neemt het volgende in aanmerking. [minderjarige] is 2,5 jaar oud en verblijft sinds oktober 2024 met zijn moeder in Nederland. Uit de stukken blijkt dat [minderjarige] voor reguliere controles bij het consultatiebureau komt en deelneemt aan het Nederlandse vaccinatiesysteem. Hij volgt in Nederland dans-, muziek- en zwemlessen, heeft een lidmaatschap van de bibliotheek en staat ingeschreven bij voorschool [school] , waar hij in april 2026 start. Hij is bovendien verzekerd voor de ziektekosten in Nederland, heeft een huisarts in Nederland en brengt een deel van zijn tijd met een nanny door in Nederland. [minderjarige] wordt in ieder geval sinds zijn vertrek uit [land 1] opgevoed door zijn moeder. Hij was toen drie maanden oud. Zijn vader heeft hij al twee jaar niet gezien. Voor [minderjarige] is de moeder daarom zijn primaire hechtingsfiguur. De moeder heeft in Nederland een koopwoning sinds de zomer van 2025 en heeft weer een vaste baan waar zij per februari 2026 is gestart. Zij heeft bovendien een stabiel sociaal netwerk en maakt deel uit van een Russisch orthodoxe kerkgemeenschap in Nederland. Daarnaast volgt zij traumabehandelingen bij [hulpverlener] in Nederland. Uit de stukken blijkt bovendien dat de moeder al eerder de bedoeling had om naar Nederland te komen. Om deze reden heeft de vader ook op enig moment na het vertrek van de moeder en [minderjarige] uit [land 1] contact opgenomen met de Nederlandse ambassade. Dit zijn allemaal omstandigheden die een aanwijzing vormen dat [minderjarige] is geworteld in Nederland. Daar staat tegenover dat [minderjarige] pas 2,5 jaar oud is en zich in het algemeen relatief snel zal kunnen aanpassen aan een nieuwe leefomgeving, mits zijn primaire hechtingsfiguur, zijn moeder, in zijn nabijheid blijft. Daarom is bij een jonger kind minder snel sprake van worteling dan bij een ouder kind.
Voor de beoordeling van de worteling van [minderjarige] in Nederland is mede van belang in hoeverre [minderjarige] (nog) geworteld is in [land 1] . Daarvoor geldt het volgende. [minderjarige] was pas drie maanden oud toen hij uit [land 1] vertrok. Buiten de vader heeft [minderjarige] geen sociale binding (meer) met [land 1] . Ten tijde van de overbrenging was hij nog te jong om zelfstandig sociale relaties of vriendschappen aan te gaan. Sinds januari 2024 is er niet tot nauwelijks contact geweest tussen de vader en [minderjarige] . De vader heeft hiertoe ook nauwelijks pogingen ondernomen. De vader heeft pas in december 2025 een verzoek tot teruggeleiding ingediend en in de tussenliggende periode heeft hij niets gedaan om [minderjarige] te laten terugkeren naar [land 1] . Ook als juist is dat de vader het advies van een Russische advocaat heeft gekregen om in [land 2] geen teruggeleidingsprocedure te starten, heeft hij ook toen hem eenmaal bekend was dat de moeder in Nederland verbleef nog ruim acht maanden gewacht met het indienen van dit verzoek. Verder is van belang dat er in Nederland een vangnet is van vertrouwde mensen die de zorg voor [minderjarige] op zich kunnen nemen, waaronder het sociale netwerk van de moeder en de nanny van [minderjarige] . Dat netwerk is er in [land 1] niet. Daarbij komt dat, zoals de moeder onweersproken heeft gesteld, de vader niet altijd in [land 1] verblijft. Hij is ook vaak in [land 2] en Israël. Gelet op de passieve houding van de vader in de afgelopen twee jaar, bestaat er ook geen vertrouwen dat de vader in de toekomst wel voldoende beschikbaar zal zijn voor [minderjarige] , als hij terug zou moeten keren naar [land 1] .
Onder deze omstandigheden, de binding van [minderjarige] met [land 1] en Nederland tegen elkaar afgezet, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van worteling van [minderjarige] in Nederland in die mate dat het verzoek tot teruggeleiding naar [land 1] in het belang van [minderjarige] moet worden afgewezen.
Weigeringsgrond ex artikel 13 lid 1 sub a en Pro b van het Verdrag
Aangezien de rechtbank het verzoek van de vader tot teruggeleiding van [minderjarige] naar [land 1] zal afwijzen, behoeven de door de moeder aangevoerde weigeringsgronden ex artikel 13 lid 1 sub a en Pro b van het Verdrag geen bespreking meer.
Voorlopige voogdij
De rechtbank zal het verzoek van de vader tot het uitpreken van een voorlopige voogdij over [minderjarige] afwijzen. Gelet op dat het verzoek tot teruggeleiding van [minderjarige] wordt afgewezen, is er geen grond voor een dergelijke maatregel.
Kosten
De rechtbank zal het verzoek van de vader tot veroordeling van de moeder tot betaling van de kosten die de vader in verband met de ontvoering en de teruggeleiding heeft gemaakt en nog dient te maken afwijzen. Een dergelijk verzoek is, gelet op het bepaalde in artikel 26 lid 4 van Pro het Verdrag en artikel 13 lid 5 van Pro de Uitvoeringswet immers alleen voor toewijzing vatbaar wanneer de terugkeer van [minderjarige] wordt gelast, wat nu niet het geval is. Ook het verzoek van de moeder tot veroordeling van de vader in de proceskosten zal worden afgewezen, nu dit verzoek onvoldoende is onderbouwd. De rechtbank zal de proceskosten compenseren als hierna vermeld, nu het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft.

Beslissing

De rechtbank:
*
wijst af het verzoek tot teruggeleiding van de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2023 te [geboorteplaats] , [geboorteland] , naar [land 1] ;
*
wijst af het verzoek ten aanzien van voorlopige voogdij;
*
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mrs. C. de Jong-Kwestro, M.F. Baaij en A.M. van der Vliet, rechters, tevens kinderrechters, bijgestaan door mr. M. Meijer als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 17 februari 2026.