ECLI:NL:RBDHA:2026:5946
Rechtbank Den Haag
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot teruggeleiding internationale kinderontvoering wegens worteling in Nederland
De vader verzocht de rechtbank om de onmiddellijke terugkeer van zijn minderjarige kind naar [land 1] te gelasten, op grond van het Haagse Verdrag inzake internationale kinderontvoering. De moeder had het kind in januari 2024 zonder toestemming van de vader meegenomen van [land 1] naar [land 2] en vervolgens naar Nederland, waar het kind sinds oktober 2024 verblijft.
De rechtbank oordeelde dat de overbrenging ongeoorloofd was omdat het gezamenlijke gezag van de ouders werd geschonden. Echter, het verzoek tot teruggeleiding werd afgewezen omdat het kind inmiddels geworteld is in Nederland. De rechtbank nam daarbij mee dat het kind sinds oktober 2024 in Nederland woont, deelneemt aan lokale voorzieningen zoals voorschool en zwemlessen, en een stabiel sociaal netwerk heeft. De moeder is de primaire hechtingsfiguur en het kind heeft nauwelijks nog binding met [land 1].
Het verzoek tot voorlopige voogdij werd eveneens afgewezen omdat de teruggeleiding niet wordt gelast. Verzoeken tot kostenveroordeling werden afgewezen en de proceskosten werden gecompenseerd. De rechtbank concludeerde dat het belang van het kind bij het handhaven van de huidige situatie zwaarder weegt dan het belang van terugkeer naar [land 1].
Uitkomst: Het verzoek tot teruggeleiding van het kind naar [land 1] wordt afgewezen vanwege worteling in Nederland.