Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:6051

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
21 maart 2026
Zaaknummer
C/09/680030 / FA RK 25-996
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling alimentatie jongmeerderjarige na overlijden vader

De jongmeerderjarige verzoekt de rechtbank om vaststelling van een bijdrage in haar levensonderhoud en studie van €250 per maand, ingaande 1 september 2023. De moeder voert verweer en betwist de ingangsdatum en de hoogte van de bijdrage.

De rechtbank overweegt dat de ingangsdatum van de alimentatie moet worden vastgesteld op de datum van indiening van het verzoek, 6 februari 2025, omdat de moeder pas toen op de hoogte was van het verzoek en geen rekening had kunnen houden met eerdere betaling. De behoefte van de jongmeerderjarige aan een bijdrage van €250 per maand wordt als redelijk vastgesteld, mede omdat zij een lening nodig had om in haar kosten te voorzien.

De draagkracht van de moeder wordt aangenomen, aangezien zij geen verweer heeft gevoerd. De alimentatieplicht eindigt op de 21e verjaardag van de jongmeerderjarige in 2025. De rechtbank bepaalt dat iedere partij haar eigen proceskosten draagt, gezien de omstandigheden en het gebruik in familierechtzaken.

De beschikking wordt uitgesproken door rechter H.M. Boone op 18 februari 2026 en verklaart de bijdrage uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De moeder moet vanaf 6 februari 2025 tot de 21e verjaardag van de jongmeerderjarige een maandelijkse alimentatie van €250 betalen.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 25-996
Zaaknummer: C/09/680030
Datum beschikking: 18 februari 2026

Alimentatie

Beschikking op het op 6 februari 2025 ingekomen verzoek van:

[de jongmeerderjarige] ,

de jongmeerderjarige,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M.A. Spek te Rijswijk.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het verweerschrift;
  • het bericht van 8 januari 2026, met bijlagen, van de zijde van de jong-meerderjarige;
  • het bericht van 12 januari 2026 van de zijde van de moeder.
De moeder liet zich aanvankelijk bijstaan door advocaat mr. N.P.M. Planthof te Goes. Namens de moeder heeft deze advocaat een verweerschrift ingediend. Op 25 november 2025 heeft de advocaat zich onttrokken.
Op 21 januari 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij is de [de jongmeerderjarige] met haar advocaat, verschenen. De moeder is, met bericht, niet verschenen.

Feiten

- [de jongmeerderjarige] is op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] geboren uit het huwelijk van de moeder en de heer [de vader] (de vader).
- De vader is op 26 november 2018 overleden.

Verzoek en verweer

[de jongmeerderjarige] verzoekt te bepalen dat de moeder met ingang van 1 september 2023 aan haar een bijdrage zal betalen in de kosten van haar levensonderhoud en studie van
€ 250,00 per maand, voor zover mogelijk telkens bij vooruitbetaling te voldoen, een en ander met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De moeder voert verweer dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken en verzoekt de rechtbank om de jong-meerderjarige te veroordelen in de proceskosten.

Beoordeling

Bijdrage in het levensonderhoud en studie

Vooraf
De rechtbank stelt voorop dat het verdrietig is als jong-meerderjarige kinderen en hun ouders in een procedure verzeild raken. Een uitspraak van de rechtbank over wat het gezin verdeeld houdt, leidt vaak niet tot waar het iedereen eigenlijk om gaat; laat staan tot een goed gevoel over de uitkomst. Het is de rechtbank duidelijk dat [de jongmeerderjarige] en de moeder al lange tijd geen contact met elkaar hebben en dat dit het gevolg is van een ruzie over iets wat na langere tijd onbelangrijk lijkt. [de jongmeerderjarige] heeft op de zitting verteld dat zij zich daarin niet gehoord voelt. Zij had graag gezien dat haar moeder naar de zitting was gekomen zodat zij haar had kunnen vertellen over de moeilijke periode die zij heeft doorgemaakt. De rechtbank was graag met de moeder en [de jongmeerderjarige] in gesprek gegaan over wat er is gebeurd, hoe zij dit hebben beleefd, hoe zij hun eigen rol daarin zien en wat er voor nodig is om het af te sluiten. Dit omdat de rechtbank het gevoel heeft dat onder het verzoek van [de jongmeerderjarige] een diepere wens ligt tot herstel van contact. Soms weten jong-meerderjarigen en misschien ook [de jongmeerderjarige] niet hoe zij dit anders voor elkaar kunnen krijgen. Een beslissing in deze procedure kan mogelijk toch een eerste stap naar een gesprek tussen [de jongmeerderjarige] en haar moeder.
De rechtbank komt daarmee toe aan de beoordeling van het verzoek om vaststelling van een bijdrage.
Ingangsdatum (en einddatum)
De rechtbank zal eerst de ingangsdatum van de alimentatie vaststellen. [de jongmeerderjarige] vraagt om de ingangsdatum op 1 september 2023 vast te stellen; dat is ruim anderhalf jaar voor de indiening van het verzoekschrift op 6 februari 2025. [de jongmeerderjarige] vindt deze datum passend omdat zij vanaf dat moment financieel op zichzelf aangewezen was en maximaal moest bijlenen om in de kosten van haar levensonderhoud en studie te kunnen voorzien. Verder vindt [de jongmeerderjarige] dat iedere ouder, en dus ook de moeder, moet begrijpen dat jong-meerderjarige kinderen behoefte hebben aan financiële ondersteuning. Zij heeft dit verzoek niet eerder kunnen indienen omdat zij een tumultueuze periode heeft doorgemaakt en zij ook niet wist dat de moeder verplicht is om een onderhoudsbijdrage te geven.
De moeder vindt dat moet worden uitgegaan van de datum van indiening van het verzoek omdat [de jongmeerderjarige] haar niet eerder om een bijdrage heeft gevraagd en zij hiermee financieel geen rekening heeft kunnen houden.
De wet geeft de rechter een grote vrijheid bij het vaststellen van een ingangsdatum voor een financiële bijdrage. De rechter kan dus een bijdrage vaststellen over een periode in het verleden. Daar moet wel terughoudend mee worden omgegaan omdat de financiële gevolgen voor degene die alimentatie moet betalen flink kunnen zijn. Meestal wordt een alimentatieverplichting bepaald op of rond de datum van de indiening van het verzoek.
De rechtbank is van oordeel dat ook in dit geval de ingangsdatum moet worden vastgesteld op de datum van indiening van het verzoekschrift. Dat is op 6 februari 2025. De moeder wist toen pas dat [de jongmeerderjarige] een bijdrage in haar levensonderhoud wilde ontvangen; er was niet eerder een brief of app naar de moeder gestuurd. De moeder heeft met een bijdrage geen rekening kunnen houden en geen geld opzij kunnen leggen voor [de jongmeerderjarige] .
De wet bepaalt verder dat de ouderlijke plicht om een onderhoudsbijdrage te betalen eindigt als een jongmeerderjarige 21 jaar oud is. [de jongmeerderjarige] is op [datum] 2025 21 jaar oud geworden.
De periode waarin [de jongmeerderjarige] recht heeft op een bedrage is daarom kort.
Behoefte
[de jongmeerderjarige] vraagt om een bijdrage van € 250,- per maand en geeft aan dat dit het bedrag is dat zij maandelijks heeft bijgeleend om te kunnen voorzien in haar kosten van levensonderhoud en studie.
De moeder is van mening dat [de jongmeerderjarige] onvoldoende heeft onderbouwd waarom ze dit bedrag nodig heeft.
Uit de stukken en dat wat op de zitting is aangevoerd is de rechtbank voldoende duidelijk geworden dat [de jongmeerderjarige] behoefte heeft aan een bijdrage. Zij heeft een lening nodig gehad in aanvulling op de basisbeurs en aanvullende beurs. Deze lening is haar ook toegewezen. Een bijdrage van € 250,- is alleszins redelijk. De rechtbank stelt de behoefte van [de jongmeerderjarige] daarom op dit bedrag vast.
Draagkracht
Volgens [de jongmeerderjarige] verdient de moeder ongeveer € 2.000,- netto per maand en draagt de moeder ook bij in de kosten van het levensonderhoud van haar zus. Zij is daarom in staat om met € 250,- in de maand bij te dragen.
De moeder heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van haar draagkracht. Daarom gaat de rechtbank ervan uit dat de moeder in staat is om de verzochte onderhoudsbijdrage van
€ 250,- per maand te betalen.
Conclusie
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank bepalen dat de moeder per 6 februari 2025 een onderhoudsbijdrage van € 250,- per maand dient te betalen aan [de jongmeerderjarige] . Omdat [de jongmeerderjarige] op [datum] 2025 21 jaar is geworden kan de rechtbank de bijdrage alleen tot die datum vaststellen.
Proceskosten
De moeder vindt dat [de jongmeerderjarige] haar proceskosten moet betalen omdat ze is gedwongen om hoge kosten te maken. Volgens de moeder had(den) [de jongmeerderjarige] en haar advocaat eerst contact moeten opnemen met de moeder om te bezien of zij in onderling overleg afspraken hadden kunnen maken over een te betalen bijdrage voordat zij een procedure starten.
[de jongmeerderjarige] is het hier niet mee eens en wijst erop dat zij snel moest handelen omdat zij bijna 21 jaar oud zou zijn. Zij vindt dat de proceskosten voor eigen rekening moeten blijven.
De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van het gebruik in familiezaken om de proceskosten ieder voor eigen rekening te laten. Gelet op het feit dat [de jongmeerderjarige] bijna 21 jaar werd is het begrijpelijk dat ze direct een verzoekschrift heeft ingediend. De rechtbank zal de proceskosten daarom compenseren als hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank:
*
bepaalt dat de moeder aan de jong-meerderjarige [de jongmeerderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] , over de periode van 6 februari 2025 tot [datum] 2025 een alimentatie ten behoeve van [de jongmeerderjarige] van € 250,- per maand zal betalen, en verklaart de bepaling van deze bijdrage uitvoerbaar bij voorraad;
*
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.M. Boone, rechter, bijgestaan door mr. A.J. Klootwijk als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 18 februari 2026.