ECLI:NL:RBDHA:2026:6083

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
21 maart 2026
Zaaknummer
C/09/695040 / FA RK 25-8844
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 223 RvArt. 1:377a BWArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige omgangsregeling vastgesteld tussen vader en minderjarige kind

De rechtbank Den Haag behandelde een verzoek van de vader tot het vaststellen van een voorlopige omgangsregeling met zijn minderjarige kind, geboren in 2019, waarbij het kind zijn hoofdverblijfplaats bij de moeder heeft en de vader niet juridisch is erkend. De vader wenst het contact te herstellen en uit te breiden, nadat fysieke omgangsmomenten abrupt stopten.

De rechtbank oordeelde dat er sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking tussen vader en kind, ondanks de afwezigheid van de vader in de eerste jaren. Dit wordt ondersteund door het frequente contact sinds 2023, inclusief gezamenlijke uitjes en videobellen. De moeder betwistte dit, maar de rechtbank vond haar argumenten onvoldoende concreet.

De omgangsregeling voorziet in een geleidelijke opbouw van contactmomenten, beginnend met twee weekenddagen van vier uur in de omgeving van het kind, gevolgd door langere momenten bij de vader. De rechtbank acht omgangsbegeleiding niet noodzakelijk, ondanks zorgen van de moeder over veiligheid en de kwetsbaarheid van het kind.

Daarnaast zijn de ouders verwezen naar een hulpverleningstraject voor ouderschapsbemiddeling om hun samenwerking te verbeteren. De rechtbank verklaarde de beschikking uitvoerbaar bij voorraad en bepaalde dat iedere partij zijn eigen proceskosten draagt.

Uitkomst: De rechtbank stelt een voorlopige omgangsregeling vast waarbij de vader en minderjarige om de week contact hebben zonder aanwezigheid van de moeder.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-8844
Zaaknummer: C/09/695040
Datum beschikking: 17 februari 2026

Voorlopige voorzieningen

Beschikking op het op 24 november 2025 ingekomen verzoek van:

[de man] ,

de man,
wonende op een voor de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M.J. van Lingen in Alkmaar.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vrouw] ,

de vrouw,
wonende op een voor de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R.F. van Galen in Alphen aan den Rijn.

Procedure

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het verweerschrift met een zelfstandig verzoek;
  • het F9-formulier van 21 januari 2026, met bijlagen, van de vrouw.
Op 3 februari 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de man, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
  • [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).
Na de zitting heeft de rechtbank ontvangen:
- het F9-formulier van 11 februari 2026, met bijlagen, van de man.

Feiten

- Uit de vrouw is het volgende minderjarige kind geboren:
- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2019 in [geboorteplaats] (hierna: [minderjarige] ).
  • [minderjarige] is niet erkend door de man.
  • [minderjarige] heeft zijn hoofdverblijfplaats bij de vrouw.
  • De vrouw is van rechtswege alleen met het ouderlijk gezag over [minderjarige] belast.
  • In de bodemprocedure, bij de rechtbank bekend onder zaak- en rekestnummer C/09/694898 en FA RK 25-8764, verzoekt de man om vervangende toestemming erkenning van [minderjarige] , gezamenlijk gezag en het vaststellen van een zorg- c.q. omgangsregeling.
Verzoek en verweer
De man verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- een voorlopige zorgregeling tussen hem en [minderjarige] vast te stellen, waarbij [minderjarige] en de man om de week gedurende een weekenddag van 09.00 uur tot 17.00 contact met elkaar hebben, in de woning en/of omgeving van de woning van de man, buiten aanwezigheid van de vrouw, welk contact gedurende acht weken wordt opgebouwd als volgt:
  • de eerste vier weken (twee omgangsmomenten) een weekenddag gedurende vier uur contact met elkaar in de omgeving van de woonplaats van [minderjarige] ;
  • de achtereenvolgende vier weken (twee omgangsmomenten) een weekenddag gedurende zes uur contact met elkaar in de omgeving van de woonplaats / woning van de man.
De vrouw voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Hierbij verzoekt zij zelfstandig:
  • de man in zijn verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren, althans die verzoeken af te wijzen;
  • de man te veroordelen in de proceskosten volgens het liquidatietarief.

Beoordeling

Ontvankelijkheid voorlopige voorziening
Ingevolge artikel 223 Rv Pro kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Ingevolge het tweede lid moet deze vordering samenhangen met de hoofdvordering. Artikel 223 Rv Pro ziet op de dagvaardingsprocedure, maar de Hoge Raad heeft op 5 december 2014 (ECLI:NL:HR:2014:3533) geoordeeld dat de wet en de aard van de verzoekschriftprocedure zich niet verzetten tegen overeenkomstige toepassing van dit artikel op verzoekschriftprocedures.
De man heeft een bodemprocedure aanhangig gemaakt – bij de rechtbank bekend met zaaknummer C/09/694898 en FA RK 25-8764 – waarin hij verzoekt om vervangende toestemming tot erkenning van [minderjarige] , gezamenlijk gezag en het vaststellen van een omgangs- c.q. zorgregeling. Voorts is de rechtbank van oordeel dat de man een spoedeisend belang heeft bij zijn verzoek. Sinds oktober 2023 is er contact tussen [minderjarige] en de man. Aanvankelijk is dit contact gestart via videobellen maar vanaf december 2023 tot juni 2025 hebben [minderjarige] en de man op regelmatige basis omgang met elkaar gehad. De fysieke omgangsmomenten zijn abrupt beëindigd. Nadien heeft nog een aantal keer videobelcontact plaatsgevonden, maar gebleken is dat dit moeizaam verloopt. [minderjarige] heeft de man inmiddels al enkele maanden niet meer (fysiek) gezien. Er is momenteel nog geen zicht op de behandeling van de bodemprocedure. De man wenst dat het contact tussen [minderjarige] en hem zo spoedig mogelijk wordt hersteld en de omgang wordt hervat. Volgens de man is het belang van [minderjarige] daar ook mee gediend. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de man ontvangen in zijn verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening.
Ook brengt het verzoek van de vader bij toewijzing daarvan, anders dan namens de moeder is aangevoerd, niet mee dat een constitutieve uitspraak wordt gedaan. Toewijzing van het verzoek leidt tot een voorlopige voorziening in afwachting van de uitkomst van de bodemprocedure.
Voorlopige omgangsregeling
Ontvankelijkheid verzoek
Op grond van artikel 1:377a eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft een kind recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Op grond van 1:377a tweede lid BW stelt de rechter op verzoek van iemand die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind, al dan niet voor bepaalde tijd, een omgangsregeling tussen diegene en het kind vast. Op grond van het derde lid van artikel 1:377a BW kan de rechter het recht op omgang slechts ontzeggen, indien: a) omgang ernstig nadeel op zou leveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of b) de ouder of degene die in een nauwe en persoonlijke betrekking staat tot het kind kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of c) het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang heeft doen blijken, of d) omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
In de bodemprocedure heeft de man een verzoek gedaan om via een DNA-onderzoek vast te stellen of hij de vader van [minderjarige] is. De vrouw heeft ter zitting aangegeven dat er geen enkele twijfel bestaat over het vaderschap van de man. Ook de man heeft aangegeven dat hij er eigenlijk niet aan twijfelt dat hij de vader van [minderjarige] is. Na de zitting heeft de advocaat van de man laten weten dat het verzoek om een DNA-onderzoek te gelasten in de bodemprocedure niet langer wordt gehandhaafd. Gelet hierop zal de rechtbank de man hierna als ‘de vader’ aanduiden.
De rechtbank zal eerst beoordelen of de vader, die niet de juridische vader is van [minderjarige] , in een nauwe persoonlijke betrekking tot [minderjarige] staat.
Voor de invulling van de nauwe persoonlijke betrekking wordt aangesloten bij het in artikel 8 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) bedoelde ‘family life’.
Uit artikel 8 EVRM Pro volgt dat een ieder recht heeft op eerbiediging van zijn familie/gezinsleven en privéleven (family life and private life) en dat inmenging daarin van enig openbaar gezag slechts is toegestaan voor zover die inmenging bij de wet is voorzien en noodzakelijk is in een democratische samenleving.
Uit de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens volgt dat de vraag of de biologische vader recht heeft op toegang tot zijn kind een belangrijk deel kan betreffen van zijn identiteit en daarmee van zijn private life. Nauwe banden kunnen volgens het EHRM in gevallen waarin het bestaan van family life niet kan worden aangenomen wel binnen de reikwijdte van het private life van de vader vallen en aldus eveneens onder de bescherming van artikel 8 EVRM Pro. De beslissing om een biologische vader op voorhand contact met zijn kind te weigeren door hem niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling, betekent een inmenging in zijn recht op ‘private life’. Ter beantwoording van de vraag of deze inmenging noodzakelijk is dient een inhoudelijke belangenafweging te worden gemaakt, waarin alle betrokken belangen, waaronder het belang van het kind als voornaamste, dienen te worden meegewogen. Aan de ontvankelijkheid dienen wel eisen gesteld te worden, nu het enkele feit dat een man de biologische vader is, niet voldoende is. Er dient sprake te zijn van bijkomende omstandigheden en feiten die maken dat het contact met en toegang tot het kind een belangrijk deel betreffen van de identiteit van de biologische vader en daarmee van zijn privéleven.
De vader stelt dat er sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking tussen hem en [minderjarige] , gelet op het grote aantal contactmomenten dat tussen hen heeft plaatsgevonden. Volgens de vader is om die reden sprake van family life tussen [minderjarige] en hem.
De vrouw is van mening dat er geen sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking en/of ‘family life’ dan wel ‘private life’ tussen de vader en [minderjarige] . De vader was niet betrokken rondom de zwangerschap van [minderjarige] . De vader wilde destijds niets met [minderjarige] te maken hebben. Pas sinds december 2023 is er sprake van contact tussen [minderjarige] en de man, wat telkens korte, door de moeder begeleide contactmomenten zijn geweest. In een periode van zes jaar tijd hebben zij elkaar 32 keer gezien, wat niet kan worden gekwalificeerd als een nauwe persoonlijke betrekking. Voorts betwijfelt de vrouw of de vader wel in een nauwe persoonlijke betrekking tot [minderjarige] wil staan, nu hij de voorstellen van de vrouw ten aanzien van een omgangsregeling en het bijwonen van de verjaardag van [minderjarige] verjaardag heeft afgewezen.
De rechtbank meent dat in dit geval sprake is van family life tussen [minderjarige] en zijn vader en overweegt hiertoe het volgende. Ondanks dat de vader de eerste jaren in het leven van [minderjarige] afwezig is geweest, is het contact tussen hen in 2023 opgestart en zijn er van eind 2023 tot medio 2025 een groot aantal (ruim dertig) omgangsmomenten geweest. Uit de foto’s die de vader heeft overgelegd blijkt dat zij meerdere uitjes hebben ondernomen samen, zoals bezoeken aan de dierentuin, Naturalis en Sea Life. Daarnaast is er in die periode wekelijks (video)belcontact geweest tussen [minderjarige] en zijn vader. Dat de fysieke omgangsmomenten hebben plaatsgevonden onder begeleiding van de moeder, doet niet af aan het bestaan van ‘family life’ tussen de vader en [minderjarige] . Daarnaast is het de rechtbank gebleken dat de vader in januari 2025 aan de moeder heeft gevraagd of het contact verder uitgebouwd kan worden naar omgangsmomenten waar de moeder niet bij aanwezig is zodat het contact tussen [minderjarige] en hem ongedwongen kan plaatsvinden. Dat dit er niet van is gekomen neemt niet weg dat het de intentie van de vader was en nog steeds is, om de band met [minderjarige] en zijn rol als vader in het leven van [minderjarige] te versterken.
Uit de verzoeken van de man in de bodemprocedure tot erkenning, gezamenlijk gezag en het treffen van een omgangsregeling blijkt ook dat de man een serieuze rol in het leven van [minderjarige] wenst en een betrokken vader wil zijn. De rechtbank gaat dan ook voorbij aan de twijfel van de moeder dat de vader niet in een nauwe persoonlijke betrekking zou willen staan tot [minderjarige] omdat hij de voorstellen van de moeder ten aanzien van een heel beperkte en uitsluitend begeleide omgangsregeling heeft afgewezen. Dat de vader niet akkoord is gegaan met de voorstellen van de vrouw, betekent niet dat hij geen contact met [minderjarige] wil. Het betekent enkel dat de vader en de moeder van mening verschillen over wat het beste is voor [minderjarige] , hetgeen voor de man de aanleiding is geweest om deze procedure te starten.
Gelet op het voorgaande is rechtbank van oordeel dat er sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking tussen de vader en [minderjarige] als bedoeld in artikel 1:377a BW. De rechtbank zal de man daarom ontvangen in zijn verzoek.
Inhoudelijke beoordeling
Het voorgaande betekent dat [minderjarige] en de vader in beginsel recht hebben op omgang met elkaar en van gronden om de ontzegging is niet gebleken. De vraag is op welke wijze de omgang dient plaats te vinden en het contact tussen [minderjarige] en zijn vader dient te worden hersteld.
De vader acht het in het belang van [minderjarige] dat er een omgangsregeling wordt vastgelegd, nu het juist op deze leeftijd belangrijk is dat er regelmatig contact plaatsvindt. Naarmate hiermee langer wordt gewacht, zal het moeilijker worden dit contact tot stand te brengen. De vader acht omgangsbegeleiding niet noodzakelijk.
De moeder vindt het ook belangrijk dat er contact is tussen [minderjarige] en zijn vader maar zij acht onbegeleid contact op dit moment onveilig en onwenselijk, gezien de leeftijd en ontwikkelingsfase van [minderjarige] . Volgens de moeder spelen er diverse risicofactoren, waaronder het ontbreken van een duurzame ouder-kindrelatie, afwijzing in het contact, de kwetsbaarheden van de man, de incongruentie tussen zijn verzoeken en zijn feitelijk handelen, de conflictueuze communicatie tussen de ouders en de kwetsbaarheid van [minderjarige] , die maken dat contactherstel uiterst behoedzaam en uitsluitend onder professionele begeleiding kan plaatsvinden.
De rechtbank overweegt als volgt. Uitgangspunt is dat het in het algemeen in het belang van een kind is dat hij contact heeft met beide ouders of met degene met wie er een nauwe en persoonlijke band bestaat. Dit is onder andere van belang voor de identiteitsontwikkeling en het (verder) opbouwen van een veilige hechtingsrelatie. Ter zitting zijn de zorgen van de moeder besproken. Het is duidelijk dat er tussen de ouders nog altijd veel spanningen zijn en dat die spanningen aan een samenwerking in het belang van [minderjarige] in de weg staan. Ook sluit de rechtbank niet de ogen voor het feit dat bij [minderjarige] mogelijk sprake is van een vorm van neurodivergentie dan wel een pervasieve ontwikkelingsstoornis en dat voorspelbaarheid en structuur voor hem extra belangrijk zijn. Hoewel de zorgen van de moeder serieus genomen moeten worden, ziet de rechtbank geen enkele reden om te veronderstellen dat de vader onvoldoende kan aansluiten bij wat [minderjarige] nodig heeft. Integendeel, de vader lijkt ook goed te begrijpen dat er niet van de een op de andere dag een heel uitgebreide omgangsregeling kan gelden, maar staat juist een heel geleidelijke opbouw voor naar uiteindelijk omgang gedurende één dag in het weekend per veertien dagen. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de zorgen over de veiligheid van [minderjarige] of moeder heel weinig concreet zijn en dat iedere onderbouwing daarvoor ontbreekt. Anders dan de Raad ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding om het contact tussen de man en [minderjarige] onder begeleiding te laten plaatsvinden. Zoals reeds eerder overwogen, hebben [minderjarige] en de man gedurende ongeveer anderhalf jaar lang frequent en intensief contact met elkaar gehad. Er is geen enkele aanwijzing om te veronderstellen dat deze contactmomenten niet prettig zijn verlopen. Hoewel deze contacten steeds in aanwezigheid van de vrouw hebben plaatsgevonden, acht de rechtbank het juist nu voor de hand liggend om een volgende stap te zetten in de verdere opbouw van het contact. Daarbij is het natuurlijk in het belang van [minderjarige] dat in deze omgangsmomenten regelmaat, structuur en voorspelbaarheid komt en dat dit langzaam moet worden opgebouwd, maar begeleiding is daarbij niet nodig. De rechtbank zal daarbij bepalen dat het eerste omgangsmoment zal plaatsvinden in het weekend van 28 februari of 1 maart 2026 zodat er de mogelijkheid is om [minderjarige] hierop voor te bereiden.
De rechtbank is het wel met de Raad eens dat de ouders dienen te werken aan het herstel van hun onderlinge verstandhouding en vertrouwen, zodat zij uiteindelijk een betere samenwerking ten behoeve van [minderjarige] kunnen realiseren. Dat zij daartoe nu nog niet in staat zijn, vormt evenwel geen beletsel om reeds nu een omgangsregeling vast te leggen.
De rechtbank heeft met de ouders de mogelijkheid besproken om deel te nemen aan een traject ouderschapsbemiddeling / parallel (solo) ouderschap. Beide ouders hebben op de zitting de bereidheid uitgesproken om hieraan deel te nemen. De rechtbank zal de ouders in de gelegenheid stellen deel te nemen aan dit traject, zoals blijkt uit het proces-verbaal van doorverwijzing dat aan deze beschikking is gehecht. Dit proces-verbaal is al per email verzonden naar Jeugdteams Leidse Regio voor deelname aan voornoemd traject en/of training en aanmelding bij de betreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie. De rechtbank zal deze beschikking per post zenden aan Jeugdteams Leidse Regio.
Gelet op het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat de door de man verzochte regeling in het belang van [minderjarige] is. De rechtbank zal deze regeling vaststellen in het dictum van de beschikking. De rechtbank gaat ervan uit dat de ouders in onderling overleg kunnen bepalen welke weekenddag [minderjarige] en de vader omgang met elkaar hebben.
Proceskostenveroordeling
De vrouw verzoekt de man te veroordelen in de kosten van deze procedure, omdat zij nodeloos in deze procedure is betrokken.
De rechtbank overweegt dat in verzoekschriftprocedures tussen ex-partners terughoudend wordt omgegaan met een proceskostenveroordeling. In beginsel worden de proceskosten gecompenseerd, in die zin dat iedere ouder zijn of haar eigen proceskosten draagt. Slechts in uitzonderlijke gevallen wordt van deze hoofdregel afgeweken. De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van zo’n uitzonderlijk geval. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw over de proceskostenveroordeling daarom afwijzen en de proceskosten compenseren, in die zin dat iedere ouder de eigen proceskosten draagt.

Beslissing

De rechtbank:
*
stelt een
voorlopigeomgangsregeling vast, inhoudende dat [minderjarige] - zonder aanwezigheid van de moeder – bij de vader is:
  • de eerste vier weken na de beschikking (twee omgangsmomenten):om de week een weekenddag gedurende vier uur, in de omgeving van de woonplaats van [minderjarige] , waarbij het eerste omgangsmoment plaatsvindt op 28 februari of 1 maart 2026;
  • de daaropvolgende vier weken na de beschikking (twee omgangsmomenten):om de week een weekenddag gedurende zes uur, in de omgeving van de woonplaats en/of woning van de man;
  • vervolgens:om de week een weekenddag van 09.00 uur tot 17.00 uur, in de woning en/of omgeving van de man;
en waarbij de vader [minderjarige] bij de moeder ophaalt en weer terugbrengt;
*
stelt vast dat partijen, te weten:
[de man] ,
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
en
[de vrouw] ,
de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
bij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar Jeugdteams Leidse Regio voor deelname aan het hulpverleningstraject Ouderschapsbemiddeling / Parallel (solo) ouderschap en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;
beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van (de kennisgeving van) deze beschikking te zenden naar Jeugdteams Leidse Regio, Haarlemmerstraatweg 31 – 8519 –, 2343 LA Oegstgeest;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.P. de Klerk, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. S.A.L. Niemantsverdriet als griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 17 februari 2026.