ECLI:NL:RBDHA:2026:609

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 januari 2026
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
NL25.63683
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bewaring van vreemdeling en zicht op uitzetting naar Marokko

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 8 januari 2026 uitspraak gedaan in een beroep tegen de maatregel van bewaring van een vreemdeling, eiser, die door de minister van Asiel en Migratie was opgelegd. De maatregel van bewaring was gebaseerd op artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser had beroep ingesteld tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht om schadevergoeding. De rechtbank heeft vastgesteld dat er zicht op uitzetting naar Marokko ontbreekt, omdat de Marokkaanse autoriteiten nog niet hebben gereageerd op de aanvraag voor een laissez-passer. Eiser heeft niet voldoende aangetoond dat hij actief meewerkt aan zijn uitzetting, wat zijn situatie bemoeilijkt. De rechtbank heeft ook overwogen dat de minister voldoende voortvarend heeft gehandeld in het uitzettingsproces, ondanks de lange duur van de bewaring. Eiser heeft aangevoerd dat zijn medische en psychische kwetsbaarheid de voortzetting van de bewaring disproportioneel maakt, maar de rechtbank heeft geoordeeld dat hij niet heeft aangetoond dat er gewijzigde omstandigheden zijn die dit rechtvaardigen. De rechtbank heeft uiteindelijk het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De uitspraak is openbaar gemaakt en er staat geen rechtsmiddel open tegen deze beslissing.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.63683

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. D. Matadien),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft op 26 augustus 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten op 6 januari 2026.

Overwegingen

Inleiding
De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 2 december 2025 (in de zaak NL25.56974) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 27 november 2025. De in deze uitspraak te toetsen periode loopt dus van 27 november 2025 tot 6 januari 2026.
De rechtbank merkt ambtshalve het volgende op. Het beroepschrift is op 29 december 2025 ingediend. Op grond van artikel 96, eerste lid, van de Vw dient het vooronderzoek binnen een week na ontvangst van het beroepschrift te worden gesloten. Dit betekent dat de rechtbank in deze zaak het onderzoek uiterlijk op 5 januari 2026 had moeten sluiten. Het vooronderzoek is echter op 6 januari 2025 gesloten. De termijn zoals genoemd in artikel 96, eerste lid, van de Vw is dus met een dag overschreden.
De overschrijding van deze termijn is in dit geval geheel aan de rechtbank toe te rekenen. Er is echter sprake van een voortvarende beslissing als bedoeld in artikel 5, vierde lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Uitgegaan wordt van een periode van 21 dagen tussen het instellen van het beroep en de uitspraak bij een zaak van geringe complexiteit (zie het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 9 januari 2003, ECLI:CE:ECHR:2003:0109JUD005526300 in de zaak Kadem t. Malta). Aangezien deze termijn niet is overschreden, ziet de rechtbank geen aanleiding om het voortduren van de maatregel van bewaring vanwege het enkel te laat sluiten van het vooronderzoek onrechtmatig te achten. De rechtbank neemt hierbij verder in aanmerking dat zij overeenkomstig artikel 96, tweede lid, van de Vw uitspraak doet op het vervolgberoep binnen een week nadat zij het vooronderzoek had moeten sluiten. Eiser is als gevolg van de termijnoverschrijding dan ook niet in zijn belangen geschaad.
Zicht op uitzetting
4. Eiser voert aan dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Marokko ontbreekt, omdat de Marokkaanse ondanks alle rappels tot op heden nog niet hebben gereageerd op de aanvraag tot de afgifte van een laissez-passer (lp). Verweerder heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat er voor eiser nog een lp zal worden verstrekt.
5. Zoals de rechtbank al in de eerdere uitspraken over eisers bewaring heeft overwogen, kan in zijn algemeenheid worden uitgegaan van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Marokko. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 14 november 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:3269), 8 augustus 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:3033) en 27 januari 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:219). Dit uitgangspunt geldt thans nog steeds.
6. Over het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Marokko in het concrete geval van eiser, overweegt de rechtbank als volgt. Uit de voortgangsgegevens blijkt dat het traject bij de Marokkaanse autoriteiten ter verkrijging van een lp voor eiser nog loopt. De rechtbank is niet gebleken van concrete aanknopingspunten dat er niet binnen een redelijke termijn een lp aan eiser zal kunnen worden verstrekt. Met een lp-traject bij de Marokkaanse autoriteiten gaat in het algemeen de nodige tijd (meerdere maanden) gemoeid, zeker als een vreemdeling, zoals in het geval van eiser, geen documenten over zijn identiteit en nationaliteit overlegt. De rechtbank wijst er in dit verband op dat op eiser de verplichting rust om volledig en actief mee te werken aan zijn uitzetting en lp-traject. Niet is gebleken dat eiser dat voldoende doet. Uit de vertrekgesprekken van 8 december 2025 en 5 januari 2026 blijkt dat hij nog altijd geen initiatief heeft genomen in het verkrijgen van documenten die zijn identiteit en nationaliteit tonen. Gelet op het voorgaande is er geen reden om aan te nemen dat in eisers geval het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt. De beroepsgrond slaagt niet.
Voortvarend handelen
7. Eiser voert verder aan dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting. Het voeren van vertrekgesprekken heeft geen meerwaarde, omdat eiser niet aan de vereiste documenten kan komen en afhankelijk is van de Marokkaanse autoriteiten. Verweerder verricht hiermee geen effectieve uitzettingshandelingen, maar enkel standaardmatige handelingen. De rappels hebben ook geen resultaat opgeleverd. Er zijn ten onrechte geen aanvullende of alternatieve acties ondernomen.
8. De rechtbank stelt voorop dat, als eerder vermeld, de te toetsen periode in het onderhavige beroep zich beperkt tot de periode van 27 november 2025 tot 6 januari 2026. Uit de voortgangsrapportage van 29 december 2025 blijkt dat verweerder in deze periode tweemaal schriftelijk heeft gerappelleerd bij de Marokkaanse autoriteiten over de openstaande aanvraag tot de afgifte van een lp. Daarnaast blijkt uit de voortgangsgegevens dat verweerder op 8 december 2025 en 5 januari 2026 vertrekgesprekken met eiser heeft gevoerd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hiermee voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser gewerkt. Het rappelleren in een lp-traject en het voeren van vertrekgesprekken zijn daadwerkelijke uitzettingshandelingen. De stelling van eiser dat verweerder geen effectieve uitzettingshandelingen verricht, volgt de rechtbank dan ook niet. Gezien de duur van de bewaring en van het traject bij de Marokkaanse autoriteiten, is er ook geen aanleiding voor de conclusie dat verweerder meer of andere uitzettingshandelingen had moeten verrichten. De beroepsgrond slaagt niet.
Lichter middel / belangenafweging
9. Eiser stelt dat op basis van de voortgangsrapportage en zijn persoonlijke omstandigheden sprake is van gewijzigde omstandigheden, waardoor voortzetting van de bewaring aanzienlijk bezwarend en disproportioneel is. Door de lange duur van de bewaring, het strikte bewaringsregime en eisers medische en psychische kwetsbaarheid (onder andere door Lyrica-gebruik), is de bewaring zeer belastend voor hem. Eiser krijgt er ook niet de benodigde medische zorg. Onder de genoemde omstandigheden lijken de bewaringsomstandigheden sterk op strafrechtelijke detentie.
10. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er zich in de periode sinds 27 november 2025 gewijzigde omstandigheden hebben voorgedaan waardoor het risico op onttrekking is afgenomen, of waardoor de maatregel onevenredig bezwarend is geworden. Voor zover eiser stelt dat de bewaring voor hem onevenredig bezwarend is vanwege zijn psychische gesteldheid, volgt de rechtbank dit niet, nu eiser dit niet met (medische) documenten heeft onderbouwd. In bewaring kan eiser aanspraak maken op medische voorzieningen. De rechtbank is niet gebleken dat deze voorzieningen in het geval van eiser niet toereikend zijn. Voor zover eiser meent dat hij niet adequaat wordt geholpen voor zijn medische klachten, geldt dat hij daarover een klacht kan indienen in het detentiecentrum. Verder volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 21 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2100 dat het Detentiecentrum Rotterdam voldoet aan de vereisten van artikel 16, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn. Bovendien kan de bewaringsrechter volgens de Afdeling niet oordelen over de wijze waarop feitelijk uitvoering wordt gegeven aan het regime binnen het detentiecentrum waar de vreemdeling in bewaring is gesteld (zie de uitspraak van de Afdeling van 29 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:4002). Er bestaat al met al dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder in de te toetsen periode een lichter middel dan bewaring had moeten toepassen. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
11. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858, gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring sinds 27 november 2025 tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Er is ook niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van non-refoulement zich verzetten tegen eisers verwijdering (zoals bedoeld in het arrest Adrar van het Hof van 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647).

Conclusie

12. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E. Bos, rechter, in aanwezigheid van
mr.B.C.M. Burger, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.