In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 8 januari 2026 uitspraak gedaan in een beroep tegen de maatregel van bewaring van een vreemdeling, eiser, die door de minister van Asiel en Migratie was opgelegd. De maatregel van bewaring was gebaseerd op artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser had beroep ingesteld tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht om schadevergoeding. De rechtbank heeft vastgesteld dat er zicht op uitzetting naar Marokko ontbreekt, omdat de Marokkaanse autoriteiten nog niet hebben gereageerd op de aanvraag voor een laissez-passer. Eiser heeft niet voldoende aangetoond dat hij actief meewerkt aan zijn uitzetting, wat zijn situatie bemoeilijkt. De rechtbank heeft ook overwogen dat de minister voldoende voortvarend heeft gehandeld in het uitzettingsproces, ondanks de lange duur van de bewaring. Eiser heeft aangevoerd dat zijn medische en psychische kwetsbaarheid de voortzetting van de bewaring disproportioneel maakt, maar de rechtbank heeft geoordeeld dat hij niet heeft aangetoond dat er gewijzigde omstandigheden zijn die dit rechtvaardigen. De rechtbank heeft uiteindelijk het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De uitspraak is openbaar gemaakt en er staat geen rechtsmiddel open tegen deze beslissing.