ECLI:NL:RVS:2022:2100
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging bewaring vreemdeling in detentiecentrum Rotterdam conform Terugkeerrichtlijn
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid stelde de vreemdeling bij besluit van 12 mei 2022 in bewaring in het detentiecentrum Rotterdam. De vreemdeling stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 3 juni 2022 het beroep ongegrond verklaarde en het verzoek om schadevergoeding afwees.
De vreemdeling ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Deze oordeelde dat het detentiecentrum Rotterdam terecht als een speciale inrichting voor bewaring wordt aangemerkt zoals bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn. Daarbij verwees de Afdeling naar relevante jurisprudentie van het Hof van Justitie en eerdere uitspraken van de Afdeling zelf.
De Raad van State vond geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen en oordeelde dat het hoger beroep geen gronden bevatte die de rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming in algemene zin zouden dienen. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.