ECLI:NL:RBDHA:2026:610

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 januari 2026
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
NL25.61134 en AWB 25/23693
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van de herhaalde HTL-plaatsing en vrijheidsbeperkende maatregel van een Iraanse asielzoeker

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank twee beroepen van een Iraanse asielzoeker tegen besluiten van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) en de minister van Asiel en Migratie. Het eerste beroep betreft de herhaalde plaatsing van de eiser in een Herstel- en Toezichtlocatie (HTL) op 23 november 2025, na eerder vrijwillig de HTL te hebben verlaten. Het tweede beroep richt zich tegen een vrijheidsbeperkende maatregel die aan de eiser is opgelegd. De rechtbank heeft de beroepen op 18 december 2025 gelijktijdig behandeld, waarbij zowel de eiser als zijn gemachtigde aanwezig waren, evenals vertegenwoordigers van het COA en de minister. De rechtbank oordeelt dat het COA bevoegd was om de eiser terug te plaatsen in de HTL en dat dit op goede gronden is gebeurd. De rechtbank wijst erop dat de eiser niet heeft aangetoond dat zijn gedrag structureel is verbeterd, wat een voorwaarde is voor het niet terugplaatsen in de HTL. Daarnaast heeft de rechtbank geoordeeld dat de vrijheidsbeperkende maatregel volledig steunt op het plaatsingsbesluit, waardoor ook dit beroep ongegrond is verklaard. De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding af en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot op 15 januari 2026.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: AWB 25/23693 en NL25.61134

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser,

geboren op [geboortedatum] ,
van Iraanse nationaliteit,
V-nummer: [v-nummer] ,
(gemachtigde: mr. F.J. Hoppenbrouwer),

het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, het COa,

alsmede

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank twee beroepen. Het eerste beroep van eiser is gericht tegen het besluit van het COa van 23 november 2025. In dat besluit heeft het COa besloten om eiser vanaf 23 november 2025 opnieuw in een HTL [1] in Hoogeveen te plaatsen (het plaatsingsbesluit). [2] Het tweede beroep van eiser richt zich tegen het besluit van de minister van dezelfde datum om hem een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 56 van de Vw 2000 [3] op te leggen (de vrijheidsbeperkende maatregel). Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.1.
Eiser is eenmaal eerder ten aanzien van hetzelfde incident op 25 oktober 2025 in de HTL geplaatst. Eiser heeft toen op 9 november 2025 de HTL vrijwillig verlaten en afgezien van opvang bij het COa. De minister heeft daarom de eerder opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel met ingang van 10 november 2025 opgeheven. Op 23 november 2025 heeft eiser zich opnieuw gemeld voor opvang en heeft hij de besluiten van 23 november 2025 ontvangen.
1.2.
Eiser heeft op 15 december 2025 gronden van beroep ingediend. Het COa heeft op 17 december 2025 een verweerschrift overgelegd.
1.3.
De rechtbank heeft de beroepen op 18 december 2025 gelijktijdig, en samen met de beroepen tegen de eerdere plaatsing in de HTL (NL25.53686 en AWB 25/20918) en de daarmee samenhangende verzoeken om een voorlopige voorziening (NL25.53688 en AWB 25/20920), op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn verschenen. Ook is een tolk verschenen. De minister en het COa hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek in beide zaken op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. De beroepen zijn ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt, dat het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen en dat eiser ook geen vergoeding krijgt in de proceskosten. Hierna legt de rechtbank hoe zij tot dit oordeel komt.
Terugplaatsing in de HTL
3. De rechtbank is van oordeel dat het COa bevoegd is om eiser terug te plaatsen in de HTL en dit op goede gronden heeft gedaan. De rechtbank stelt vast dat eiser na een korte periode de HTL vrijwillig heeft verlaten (van 9 november 2025 tot 23 november 2025). De rechtbank overweegt verder dat uit het Maatregelenbeleid van het COa [4] volgt dat een bewoner kan worden teruggeplaatst in de HTL met een verwijzing naar (de motivering van) de eerder gerealiseerde overplaatsing. Het is aan de bewoner om aannemelijk te maken dat het gedrag, dat aanleiding heeft gegeven tot overplaatsing naar de HTL na zijn vertrek, structureel is verbeterd en terugplaatsing naar de HTL niet nodig is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat zijn gedrag structureel is verbeterd dan wel dat de terugplaatsing om die reden niet nodig zou zijn. Eisers beroepsgrond slaagt niet.
Herhaling beroepsgronden NL25.53686 en AWB 25/20918
4. Eiser verzoekt om de beroepsgronden die zijn ingediend tegen de besluiten van 25 oktober 2025 als herhaald en ingelast te beschouwen. Eiser heeft ten aanzien van de onderhavige beroepen nog wel de sepotbeslissing overgelegd waaruit volgt dat het OM het strafrechtelijk onderzoek naar aanleiding van het incident heeft geseponeerd.
4.1.
De rechtbank verwijst naar haar uitspraak van 14 januari 2026 [5] waarin de beroepen tegen de besluiten van 25 oktober 2025 zijn beoordeeld. De rechtbank heeft daarin geoordeeld dat er geen reden bestaat om te twijfelen aan de feitelijke verslaglegging van het COa en dat het COa voldoende heeft gemotiveerd dat het incident kan worden aangemerkt als een incident met een zeer grote impact. Specifiek ten aanzien van de sepotbeslissing heeft de rechtbank geoordeeld dat dit het oordeel niet anders maakt omdat het strafrecht een ander toetsingskader kent dan het bestuursrecht en er bovendien uit de sepotbeslissing niet volgt dat het incident niet als zodanig heeft plaatsgevonden. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een ander oordeel ten aanzien van de onderhavige beroepen.
Psychische klachten
5. In aanvulling op de beroepsgronden tegen de besluiten van 25 oktober 2025 heeft eiser ten aanzien van de onderhavige beroepen zijn GZA dossier overgelegd. Eiser wijst er op dat hieruit blijkt dat hij ernstige psychische klachten heeft. Ook volgt volgens eiser hieruit dat er sprake is va een medische indicatie voor een eenpersoonskamer en dat hierover door de huisarts een brief is gestuurd aan het COa. Verder wijst eiser erop dat uit het GZA dossier volgt dat momenteel wordt onderzocht of ATT Veldzicht [6] wordt ingeschakeld voor verdere psychische zorg.
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat het COa voldoende zorgvuldig heeft beoordeeld of eiser gelet op zijn medische omstandigheden terug kon worden geplaatst in de HTL. Het door eiser overgelegde GZA dossier maakt dit oordeel niet anders. De rechtbank overweegt dat het COa zich bij de terugplaatsing heeft mogen baseren op het GZA akkoord dat voorafgaand aan de eerdere plaatsing van eiser in de HTL is gegeven. Niet is gebleken dat er niet langer van dit GZA akkoord kan worden uitgegaan. Op de zitting heeft de gemachtigde van het COa verder toegelicht dat het onderzoek naar een behandeling door ATT Veldzicht nog bezig is. De rechtbank ziet ook daarin geen aanleiding voor het oordeel dat eiser niet kon worden teruggeplaatst in de HTL. Ten overvloede wijst de rechtbank op de mededeling van de gemachtigde van het COa dat indien zal blijken dat eiser extra medische hulp nodig heeft vanuit ATT Veldzicht, het COa dit zal faciliteren.
Het beroep gericht tegen de vrijheidsbeperkende maatregel
6. Omdat het beroep tegen het plaatsingsbesluit ongegrond is en de vrijheidsbeperkende maatregel volledig steunt op dat besluit, oordeelt de rechtbank dat het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel ook ongegrond moet worden verklaard. De rechtbank wijst daarom het verzoek om schadevergoeding af.

Conclusie en gevolgen

7. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dus dat eiser geen gelijk krijgt en dat het COa het besluit tot plaatsing in de HTL mocht nemen en ook de minister de vrijheidsbeperkende maatregel mocht opleggen. Eiser krijgt daarom geen schadevergoeding. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van
mr. V. Vegter, griffier, op 15 januari 2026 en gepseudonimiseerd gepubliceerd op rechtspraak.nl.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep tegen het plaatsingsbesluit, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking. Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel, staat geen rechtsmiddel open..

Voetnoten

1.Handhaving- en Toezichtlocatie.
2.Op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder h en i, en artikel 11, eerste lid van de Regelingen verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005.
3.Vreemdelingenwet 2000.
4.Maatregelenbeleid COA, vastgesteld op 6 mei 2025, pagina 16.
6.Het Ambulant Transcultureel Team van het Centrum voor Transculturele Psychiatrie Veldzicht.