Art. 1:253a BWArt. 1:253c BWArt. 1:402 BWArt. 1:402a BWProtocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Toewijzing gezamenlijk gezag en vaststelling hoofdverblijfplaats en kinderalimentatie
De rechtbank Den Haag behandelde het verzoek van de man om het eenhoofdig gezag van de vrouw over hun jongste kind te beëindigen en gezamenlijk gezag toe te wijzen. Tevens werd verzocht de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de man vast te stellen, een zorgregeling te bepalen en kinderalimentatie vast te stellen.
De rechtbank oordeelde dat het gezamenlijk gezag over het jongste kind in het belang van het kind is, ondanks de nog niet optimale communicatie tussen de ouders. De hoofdverblijfplaats van de kinderen werd vastgesteld bij de vrouw, mede vanwege de inschrijving in de Basisregistratie Personen. De zorgregeling werd vastgesteld conform de praktijk, waarbij de kinderen doordeweeks verdeeld zijn tussen de ouders en vakanties en feestdagen in onderling overleg worden verdeeld.
De rechtbank berekende de kinderalimentatie op basis van de draagkracht van beide ouders en de behoefte van de kinderen, met een zorgkorting van 35%. De man is gehouden vanaf 11 juni 2025 een maandelijkse bijdrage van €580 te betalen, met jaarlijkse indexering. Het verzoek tot voorlopige voorzieningen werd ingetrokken en het meer of anders verzochte werd afgewezen.
Uitkomst: De rechtbank wijst gezamenlijk gezag toe, bepaalt hoofdverblijfplaats bij de vrouw, stelt zorgregeling vast en legt kinderalimentatie vast vanaf 11 juni 2025.
Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-99
Zaaknummer: C/09/678220
Datum beschikking: 20 februari 2026
Gezag, hoofdverblijfplaats, verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en kinderalimentatie
Beschikking op het op 6 januari 2025 ingekomen verzoek van:
[de man],
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. E.J.W. Schuijlenburg te Leidschendam.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vrouw],
de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. T. Kocabas te Zoetermeer.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift;
- het F9-formulier van 13 januari 2025 van de advocaat van de man, met bijlagen;
- het door de man ingevulde mediationformulier, ingekomen op 27 maart 2025;
- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek;
- het verweer tegen het zelfstandig verzoek;
- het F9-formulier van 17 september 2025 van de advocaat van de vrouw, met
bijlagen;
- het F9-formulier van 12 januari 2026 van de advocaat van de man, met bijlagen;
- het F9-formulier van 13 januari 2026 van de advocaat van de vrouw, met bijlagen;
- het F9-formulier van 20 januari 2026 van de advocaat van de vrouw, met bijlage.
[minderjarige 1] heeft zich schriftelijk uitgelaten over het verzoek.
Op 23 januari 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
- de man, bijgestaan door zijn advocaat;
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en tolk J. Juríková;
- [naam], namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).
Feiten
- Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
- Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:
- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2015 te [geboorteplaats], hierna: [minderjarige 1];
- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2018 te [geboorteplaats], hierna: [minderjarige 2].
- De ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over [minderjarige 1], ingevolge de aantekening in het gezagsregister van 15 oktober 2015. De vrouw is van rechtswege alleen belast met het gezag over [minderjarige 2].
- Uit de Basisregistratie Personen (BRP) blijkt dat de man en de kinderen de Nederlandse nationaliteit hebben en de vrouw de Tsjechische nationaliteit heeft.
Verzoek en verweer
De man heeft verzocht:
- het eenhoofdig gezag van de vrouw over [minderjarige 2] te beëindigen en de man samen
met de vrouw te belasten met het ouderlijk gezag;
- te bepalen dat de kinderen hun hoofdverblijf zullen hebben bij de man en bij de
BRP van de [gemeente] zullen zijn ingeschreven op het adres van de man aan de [adres] te [plaats];
- een zorgregeling te bepalen op basis waarvan de kinderen wekelijks van maandag
tot woensdagochtend naar school bij de man verblijven en van woensdagmiddag uit school tot en met vrijdag bij de vrouw, alsmede in de even weekenden bij de vrouw en in de oneven weekenden bij de man en voorts gedurende de helft van de schoolvakanties en de feestdagen, in onderling overleg te bepalen;
- althans een zodanige regeling te bepalen, welke de rechtbank in het belang van de
kinderen acht;
een en ander uitvoerbaar bij voorraad.
De man heeft verzocht – als voorlopige voorziening –:
- een voorlopige zorgregeling te bepalen op basis waarvan de kinderen wekelijks
van maandag tot woensdagochtend naar school bij de man verblijven en van woensdagmiddag uit school tot en met vrijdag bij de vrouw, alsmede in de even weekenden bij de vrouw en in de oneven weekenden bij de man en voorts gedurende de helft van de schoolvakanties en de feestdagen, in onderling overleg te bepalen;
- althans een zodanige regeling te bepalen, welke de rechtbank in het belang van de
kinderen acht;
een en ander uitvoerbaar bij voorraad.
De vrouw heeft verweer gevoerd, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Bovendien heeft de vrouw zelfstandig verzocht:
- de door partijen in de praktijk uitgevoerde zorgregeling zoals verwoord in het
verzoekschrift van de man, vast te leggen in de beschikking;
- het hoofdverblijf van de kinderen bij de vrouw te bepalen;
- de man te veroordelen tot het betalen van een bijdrage in de kosten van
verzorging en opvoeding van de kinderen van € 239,- per kind per maand met ingang van 1 februari 2025, althans 13 mei 2025, althans een bijdrage en ingangsdatum zoals de rechtbank in redelijkheid juist acht;
een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en met ingang van heden.
De man heeft zich ten aanzien van het verzoek tot bepaling van het hoofdverblijf van de kinderen bij de vrouw gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De man heeft voor het overige verweer gevoerd, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Bovendien heeft de man aanvullend verzocht:
- te bepalen dat de kinderen bij de man zullen verblijven – zulks in zoverre met wijziging van het inleidende verzoek van de man van 6 januari 2025 – wekelijks van zondagavond 19.00 uur tot woensdagochtend naar school en van woensdagmiddag uit school tot en met vrijdag 19.00 uur bij de vrouw, alsmede in de even weekenden bij de vrouw en in de oneven weekenden bij de man en voorts gedurende de helft van de schoolvakanties en de feestdagen, in onderling overleg te bepalen;
- althans een zodanige regeling te bepalen, welke de rechtbank in het belang van de kinderen acht;
- voor wat betreft de bijdrage in de kosten van opvoeding en verzorging van de
kinderen: een bijdrage vast te stellen van € 239,- per maand per kind, ingaande 11 juni 2025, althans een door de rechtbank te bepalen ingangsdatum.
Bij F9-formulier van 17 september 2025 heeft de vrouw aanvullend verzocht:
- de man te bevelen, met toepassing van artikel 22 RvPro, om binnen veertien dagen na
de datum van de beschikking de in punt 5 genoemde financiële stukken (loonstroken, jaaropgaven, IB-aangiften en -aanslagen, jaarrekeningen, werkgeversverklaring, bewijsstukken woon- en leeflasten en bankafschriften) volledig in het geding te brengen;
- te bepalen dat, indien de man nalaat de bedoelde stukken tijdig en volledig over te
leggen, de rechtbank bij de bepaling van de kinderalimentatie uitgaat van een bruto-jaarinkomen van de man van € 250.000,-;
- de door de man te betalen kinderalimentatie ten behoeve van de kinderen vast te stellen op een bedrag van € 389,- per kind per maand, vanaf 1 februari 2025, althans 13 mei 2025, althans een bijdrage en ingangsdatum zoals de rechtbank in redelijkheid juist acht;
- te bepalen dat de aldus vastgestelde kinderalimentatie jaarlijks van rechtswege
wordt geïndexeerd conform artikel 1:402a BW;
een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
Bij F9-formulier van 13 januari 2026 heeft de vrouw aanvullend verzocht te bepalen dat partijen de schoolvakanties, feestdagen en bijzondere dagen als volgt verdelen en uitvoeren, waarbij partijen de helft van alle schoolvakanties en feestdagen verdelen en geldt dat de vakanties bij helfte worden verdeeld in aaneengesloten periodes, in die zin dat:
- de zomervakantie bij helfte wordt verdeeld in twee aaneengesloten periodes,
waarbij de kinderen in de even jaren gedurende de eerste helft van de zomervakantie bij de vrouw en gedurende de tweede helft bij de man verblijven, en in de oneven jaren gedurende de eerste helft bij de man en gedurende de tweede helft bij de vrouw;
- bij schoolvakanties met een duur van twee weken de bestaande zorgregeling
ongewijzigd wordt voortgezet, wat betekent dat de kinderen gedurende deze vakanties verblijven bij de ouder bij wie zij volgens de reguliere zorgregeling zouden verblijven;
- bij schoolvakanties met een duur van één week de reguliere zorgregeling onverkort
van toepassing blijft, zodat de kinderen verblijven bij de ouder bij wie zij volgens de gebruikelijke zorgregeling zouden verblijven;
- de feestdagen conform de reguliere zorgregeling verlopen, met uitzondering van de
hierna genoemde specifieke regeling voor de kerstperiode;
- ten aanzien van de kerstperiode en jaarwisseling het volgende geldt:
- Kerstmis wordt jaarlijks bij helfte verdeeld, in die zin dat bij de eerstvolgende Kerstmis, 2026, de kinderen op Eerste Kerstdag bij de vrouw verblijven en op Tweede Kerstdag bij de man. In de daaropvolgende jaren wisselen partijen dit jaarlijks, zodat de verdeling van Eerste en Tweede Kerstdag telkens wordt omgedraaid;
- oud en nieuw wordt jaarlijks bij helfte verdeeld, in die zin dat de kinderen in de even jaren oud en nieuw bij de man doorbrengen en in de oneven jaren bij de vrouw;
- voor het overige blijft de zorgregeling gedurende de kerstvakantie ongewijzigd van kracht;
- feestdagen die binnen een schoolvakantie vallen, worden geacht onderdeel uit te
maken van die schoolvakantie en worden derhalve niet afzonderlijk verdeeld;
- de verjaardagen van de kinderen jaarlijks als volgt afwisselend worden verdeeld:
- [minderjarige 1] (oktober): in de even jaren verblijft [minderjarige 1] op zijn verjaardag bij de vrouw en in de oneven jaren bij de man;
- [minderjarige 2] (september): in de even jaren verblijft [minderjarige 2] op zijn verjaardag bij de man en in de oneven jaren bij de vrouw;
- de kinderen op de verjaardag van de vrouw bij de vrouw verblijven en op de verjaardag van de man bij de man, ongeacht de reguliere zorgregeling die op dat moment geldt, waarbij dit ook geldt voor Vader- en Moederdag.
Beoordeling
Gezag
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de gewone verblijfplaats van [minderjarige 2] in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek tot gezamenlijk gezag over [minderjarige 2].
Juridisch kader
Op grond van artikel 1:253c, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de tot het gezag bevoegde ouder, die nooit het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders gezamenlijk met het ouderlijk gezag te belasten. Het verzoek om de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten wordt slechts afgewezen indien: a) er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of b) afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
Overwegingen rechtbank
De man heeft aangevoerd dat hij vanaf de geboorte van [minderjarige 2] mede verantwoordelijk is geweest voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige 2] en aldus altijd een rol in zijn leven heeft vervuld. Om die reden is het in het belang van [minderjarige 2] is dat de man mede met het gezag over hem wordt belast. De vrouw houdt het contact met de man af. Dit is geen belemmering om de man met het gezag te belasten. Bovendien, zo geeft de man aan, is hij al samen met de vrouw belast met het gezag over [minderjarige 1] en gaat dat prima.
De vrouw heeft aangegeven dat zij zich in beginsel niet verzet tegen gezamenlijk gezag, maar dat het op dit moment een brug te ver is. Gelet op de slechte communicatie tussen partijen is het risico te groot dat [minderjarige 2] klem of verloren zou raken tussen de ouders. Als de ouders op een normale wijze met elkaar kunnen communiceren, zal de vrouw meewerken aan het aantekenen van het gezamenlijk gezag.
De rechtbank zal het verzoek van de man toewijzen en overweegt daartoe als volgt. Daarbij stelt de rechtbank voorop dat het uitgangspunt van de wetgever is dat de ouders gezamenlijk het gezag over hun kind uitoefenen, omdat dit in het belang van het kind wordt geacht. Hiervoor is wel vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijk overleg over zaken die het kind aangaan en dat zij belangrijke beslissingen over hun kind in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans dat zij in staat zijn afspraken te maken over situaties die zich rond het kind (kunnen) voordoen.
De rechtbank overweegt dat de communicatie tussen de ouders momenteel nog steeds niet optimaal verloopt. Echter, de spanningen tussen de ouders zoals die er een jaar geleden waren zijn flink afgenomen. De verstandhouding tussen de ouders is nu min of meer genormaliseerd, waardoor het hen lukt om samen gezagsbeslissingen over [minderjarige 1] te nemen. Het gezamenlijk gezag over [minderjarige 1] brengt mee dat de ouders met elkaar moeten communiceren en gezamenlijk beslissingen moeten nemen ten aanzien van [minderjarige 1]. Op de zitting heeft de vrouw aangegeven dat er sprake is van een verschil in leeftijd tussen de kinderen, waarbij [minderjarige 1]’s eigen mening meer wordt meegewogen bij beslissingen over hem dan bij [minderjarige 2]. De vrouw heeft gesteld dat daarom gezamenlijk gezag over [minderjarige 2] een betere communicatie tussen de ouders vereist dan voor [minderjarige 1]. Uit de stukken en dat wat op de zitting is besproken, is echter niet gebleken dat de ouders niet in staat zijn om ook samen beslissingen te nemen over [minderjarige 2]. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn beiden nog heel jong, waardoor voor hen allebei geldt dat zij volledig afhankelijk zijn van wat hun ouders voor hen verstandig vinden. Daarin bestaat geen wezenlijk verschil tussen de kinderen Verder overweegt de rechtbank dat beide ouders afgelopen jaar over en weer toestemming hebben gegeven voor bijvoorbeeld een vakantie met de kinderen naar het buitenland. Er is dan ook niet gebleken dat gezagsbeslissingen niet kunnen worden genomen. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een verschil in het ouderlijk gezag in stand te laten. Gelet op het voorgaande is, naar het oordeel van de rechtbank, geen sprake van een onaanvaardbaar risico dat [minderjarige 2] klem of verloren dreigt te raken tussen de ouders of dat afwijzing van het verzoek anderszins in het belang van [minderjarige 2] is. Daarom zal de rechtbank de man samen met de vrouw belasten met het gezag over [minderjarige 2].
Hoofdverblijfplaats
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de gewone verblijfplaats van de kinderen in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de kinderen.
Juridisch kader
Op grond van het eerste lid van artikel 1:253a BW kunnen in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag geschillen hieromtrent op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. Op grond van sub b van het tweede lid van artikel 1:253a BW kan de rechtbank beslissen bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van de kinderen wenselijk voorkomt.
Overwegingen rechtbank
De rechtbank overweegt als volgt. De vrouw heeft verzocht om de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij haar vast te stellen. De man heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Op de zitting heeft de vrouw desgevraagd toegelicht dat haar belang voornamelijk is gelegen in de inschrijving van de kinderen op haar adres. Gebleken is dat de kinderen in de praktijk de helft van de tijd bij beide ouders verblijven en in de BRP zijn ingeschreven op het adres van de vrouw. De man heeft aangegeven dat de wijze waarop de vrouw op eigen initiatief en zonder voorafgaand overleg met de man de inschrijving van de kinderen op haar adres heeft georganiseerd, niet de wijze is waarop dergelijke beslissingen tussen ouders met gezag behoren te worden genomen. Daarin heeft de man gelijk, in ieder geval als het over [minderjarige 1] gaat over wie hij mede het gezag had op dat moment. De man heeft evenwel ook ingestemd met de huidige situatie dat de kinderen bij de vrouw staan ingeschreven. Gelet op het voorgaande en om misverstanden hierover te voorkomen, zal de rechtbank de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw bepalen.
Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de gewone verblijfplaats van de kinderen in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek tot vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (zorgregeling).
Juridisch kader
Op grond van sub a van het tweede lid van artikel 1:253a BW kan de rechtbank op verzoek van de ouders of een van hen een toedeling aan ieder van de ouders van de zorg- en opvoedingstaken vaststellen. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van de kinderen wenselijk voorkomt.
Overwegingen rechtbank
Op de zitting hebben de ouders overeenstemming bereikt over de reguliere zorgregeling. Zij zijn overeengekomen, conform de regeling die momenteel al wordt uitgevoerd, dat de kinderen van zondag 19.00 uur tot woensdagochtend naar school bij de man verblijven. De vrouw haalt de kinderen op woensdag uit school, waarna zij bij haar verblijven tot vrijdag 19.00 uur. Vervolgens verblijven de kinderen het eerstvolgende weekend bij de man en het daaropvolgende weekend bij de vrouw. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen, nu niet is gebleken dat het belang van de kinderen zich hiertegen verzet.
Ten aanzien van de vakanties en feestdagen overweegt de rechtbank als volgt.
De ouders zijn het erover eens dat tijdens de voorjaarsvakantie, herfstvakantie en meivakantie de reguliere zorgregeling zal doorlopen. De rechtbank zal aldus beslissen.
Met betrekking tot de kerstvakantie zijn de ouders overeengekomen dat de kinderen één week bij de man en één week bij de vrouw verblijven. Op de zitting is gebleken dat de kinderen in 2025 op Eerste Kerstdag bij de man hebben verbleven en op Kerstavond en Tweede Kerstdag bij de vrouw. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de kinderen in de even jaren de eerste week bij de man en de tweede week bij de vrouw verblijven en in de oneven jaren de eerste week bij de vrouw en de tweede week bij de man.
Ten aanzien van de zomervakantie zijn de ouders overeengekomen dat deze wordt verdeeld in twee blokken van drie opeenvolgende weken, waarin de ouders ieder twee weken met de kinderen op vakantie mogen gaan, waarbij in de even jaren de vrouw de eerste drie weken heeft en de man de tweede drie weken en in de oneven jaren de man de eerste drie weken heeft en de vrouw de tweede drie weken. Gedurende de overige twee weken van de zomervakantie zal de reguliere zorgregeling doorlopen. De rechtbank zal aldus beslissen en in aanvulling hierop bepalen dat beide ouders telkens vóór 1 januari aan de andere ouder doorgeven in welke periode binnen ‘hun blok van drie weken’ zij met de kinderen in de zomervakantie op vakantie willen gaan.
De vrouw heeft nog verzocht te bepalen dat [minderjarige 1] op zijn verjaardag in de even jaren bij de vrouw verblijft en in de oneven jaren bij de man, en dat [minderjarige 2] op zijn verjaardag in de even jaren bij de man verblijft en in de oneven jaren bij de vrouw. Daarbij heeft de vrouw verzocht te bepalen dat de kinderen op de verjaardag van de vrouw en Moederdag bij de vrouw verblijven en op de verjaardag van de man en Vaderdag bij de man. Nu niet gebleken is dat de man zich hiertegen heeft verzet en dit neerkomt op een verdeling bij helfte, zal de rechtbank dienovereenkomstig beslissen.
De rechtbank zal de reguliere zorgregeling en de regeling ten aanzien van de vakanties en feestdagen vaststellen als na te melden. Hetgeen hierover meer of anders is verzocht zal de rechtbank afwijzen.
Kinderalimentatie
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de kinderen in Nederland wonen, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe ten aanzien van het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen. Op het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen zal de rechtbank op grond van artikel 3 vanPro het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, Nederlands recht toepassen.
Inhoudelijke beoordeling
Bij de vaststelling van de kinderalimentatie en de berekening neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport alimentatienormen (hierna: het rapport) als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro’s.
Ingangsdatum
Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum vaststellen. De rechtbank stelt voorop dat zij op grond van artikel 1:402 BWPro een grote mate van vrijheid heeft bij het vaststellen van de ingangsdatum. Drie data liggen het meest voor de hand: de datum van het inleidend (zelfstandig) verzoek, de datum waarop de rechter beslist of de datum waarop de omstandigheden intreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn.
De vrouw heeft primair verzocht om de ingangsdatum te bepalen op 1 februari 2025, omdat de huidige zorgregeling sinds februari 2025 wordt uitgevoerd. De vrouw heeft subsidiair verzocht om 13 mei 2025 als ingangsdatum te hanteren, zijnde het verzoek van de advocaat van de vrouw aan de advocaat van de man om de financiële stukken van de man aan te leveren, nu de man vanaf deze datum rekening had kunnen houden met een verzoek tot kinderalimentatie.
De man heeft zich verzet tegen de door de vrouw verzochte ingangsdata. Hij heeft gesteld dat de datum van indiening van het zelfstandig verzoek van de vrouw als ingangsdatum moet worden gehanteerd.
De rechtbank zal de kinderalimentatie vaststellen met ingang van de datum van indiening van het zelfstandig verzoek van de vrouw, te weten 11 juni 2025. Met ingang van die datum had de man rekening kunnen houden met een door hem te betalen bijdrage voor de kinderen.
Behoefte
Partijen zijn het erover eens dat de behoefte van de kinderen in 2024 € 1.470,- per maand bedraagt. Geïndexeerd naar 2025 bedraagt deze behoefte € 1.566,- per maand.
Draagkracht
De behoefte van de kinderen moet door de ouders worden opgebracht naar rato van hun beider draagkracht. De financiële draagkracht van de ouders dient conform de aanbevelingen uit het rapport in beginsel te worden vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI - (0,3 x NBI + 1.365)].
Draagkracht man
De vrouw heeft gesteld dat bij de berekening van de draagkracht van de man moet worden uitgegaan van een jaarlijks inkomen van € 162.604,-. De rechtbank stelt, op basis van de jaaropgaaf 2024, vast dat dit het inkomen van de man in 2024 is geweest. De rechtbank acht het in het belang van de kinderen om de door de man te betalen kinderalimentatie te berekenen op basis van het huidige inkomen. Voor de berekening van de draagkracht van de man zal de rechtbank daarom uitgaan van een inkomen van € 90.653,04 bruto per jaar en 8% vakantietoeslag, zoals blijkt uit de door de man overgelegde salarisspecificaties over mei tot en met december 2025. Daarbij houdt de rechtbank rekening met een bonus (“Incentive”) van € 32.961,67 per jaar en een toeslag (“Happy Birthday”) van € 138,61 per jaar, zoals blijkt uit de salarisspecificatie over september 2025. Verder houdt de rechtbank rekening met de pensioenpremies van (afgerond) € 4.402,- per jaar. Conform het rapport houdt de rechtbank geen rekening met de fiscale bijtelling vanwege een auto van de zaak.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting, berekent de rechtbank het Netto Besteedbaar Inkomen van de man op € 6.454,- per maand in 2026. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht.
De draagkracht van de man bedraagt volgens de formule € 2.207,- per maand
(70% x [6.454 - (0,3 x 6.454 + 1.365)]).
Draagkracht vrouw
Voor de berekening van de draagkracht van de vrouw zal de rechtbank uitgaan van een inkomen van € 39.684,-, zoals blijkt uit de door de vrouw overgelegde jaaropgave over 2025.
Het kindgebonden budget moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de desbetreffende ouder die het ontvangt, worden opgeteld. De rechtbank berekent het kindgebonden budget van de vrouw voor de kinderen aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens op € 7.820,- per jaar.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting berekent de rechtbank het NBI van de vrouw op € 3.699,- per maand in 2026. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht.
De draagkracht van de vrouw bedraagt volgens de formule € 857,- per maand
(70% x [3.699 - (0,3 x 3.699 + 1.365)]).
Draagkrachtvergelijking en zorgkorting
De draagkracht van de ouders bedraagt gezamenlijk € 3.064,- per maand (€ 2.207,- + € 857,-). Dit is voldoende om volledig in de behoefte van de kinderen te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.
Het eigen aandeel van de man bedraagt: € 2.207,- / € 3.064,- x € 1.566,- = € 1.128,-.
Het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: € 857,- / € 3.064,- x € 1.566,- = € 438,-.
Van de behoefte van de kinderen komt een gedeelte van € 1.128,- per maand voor rekening van de man. Een gedeelte van € 438,- komt voor rekening van de vrouw.
Beide ouders zijn het erover eens dat een zorgkorting van 35% moet worden toegepast. Gelet hierop en nu sprake is van een co-ouderschapsregeling zal de rechtbank uitgaan van een zorgkortingspercentage van 35%. De zorgkorting voor de kinderen bedraagt dan € 548,- per maand (35% van € 1.566,-).
Conclusie
Gelet op het voorgaande is de man gehouden om met ingang van 11 juni 2025 een bedrag van € 580,- (€ 1.128,- - € 548,-) per maand aan de vrouw te voldoen aan kinderalimentatie voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. Gelet op de uitspraak van de Hoge Raad van 18 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1165, zal de rechtbank de kinderalimentatie verhogen met de jaarlijkse indexering als bedoeld in artikel 1:402a BW met ingang van 1 januari 2026 tot een bedrag van € 607,- per maand. Met ingang van 1 januari 2027 wordt het laatstgenoemde bedrag van rechtswege verhoogd met de jaarlijkse indexering. Het verzoek van de vrouw om te bepalen dat het bedrag aan kinderalimentatie wordt vermeerderd met de wettelijke indexering, zal bij gebrek aan belang worden afgewezen. De jaarlijkse indexering van de bijdrage vloeit namelijk al uit de wet voort (artikel 1:402a BW).
Het verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen
Op de zitting heeft de man zijn verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen ingetrokken. De rechtbank hoeft daarom op dit verzoek niet meer te beslissen.
BeslissingDe rechtbank:
bepaalt dat voortaan aan de man en de vrouw gezamenlijk het gezag zal toekomen over de minderjarige [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2018 te [geboorteplaats];
bepaalt dat de minderjarigen:
- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2015 te [geboorteplaats];
- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2018 te [geboorteplaats];
de hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de vrouw;
bepaalt dat de kinderen bij de man en de vrouw zullen zijn volgens de reguliere zorgregeling: de kinderen verblijven van zondag 19.00 uur tot woensdagochtend naar school bij de man. De vrouw haalt de kinderen op woensdag uit school, waarna zij bij haar verblijven tot vrijdag 19.00 uur. De kinderen verblijven het eerstvolgende weekend bij de man en het daaropvolgende weekend bij de vrouw;
bepaalt dat voor de kinderen de volgende vakantie- en feestdagenregeling geldt:
- ten aanzien van de voorjaarsvakantie en herfstvakantie: de kinderen verblijven bij de ouder bij wie zij volgens de reguliere zorgregeling verblijven;
- ten aanzien van de meivakantie: de kinderen verblijven bij de ouder bij wie zij volgens de reguliere zorgregeling verblijven;
- met betrekking tot de kerstvakantie: de kinderen zullen in de even jaren de eerste week bij de man en de tweede week bij de vrouw verblijven en in de oneven jaren de eerste week bij de vrouw en de tweede week bij de man;
- ten aanzien van de zomervakantie: de zomervakantie wordt verdeeld in twee blokken van drie opeenvolgende weken, waarin de ouders ieder twee weken met de kinderen op vakantie mogen gaan, waarbij in de even jaren de vrouw de eerste drie weken heeft en de man de tweede drie weken en in de oneven jaren de man de eerste drie weken heeft en de vrouw de tweede drie weken. Gedurende de overige twee weken van de zomervakantie verblijven de kinderen bij de ouder bij wie zij volgens de reguliere zorgregeling verblijven. Beide ouders geven telkens vóór 1 januari aan de andere ouder door in welke periode zij met de kinderen in de zomervakantie op vakantie willen gaan;
- verjaardag [minderjarige 1]: [minderjarige 1] zal in de even jaren bij de vrouw verblijven en in de oneven jaren bij de man;
- verjaardag [minderjarige 2]: [minderjarige 2] zal in de even jaren bij de man verblijven en in de oneven jaren bij de vrouw;
- verjaardag vrouw en Moederdag: de kinderen verblijven bij de vrouw;
- verjaardag man en Vaderdag: de kinderen verblijven bij de man;
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van 11 juni 2025 een kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van € 580,- per maand voor de twee kinderen samen, en met ingang van 1 januari 2026 € 607,- per maand voor de twee kinderen samen zal betalen, vanaf heden telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.P. de Klerk, rechter, tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. E.X.R. Yi als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 20 februari 2026.