Deze bestuursrechtelijke zaak betreft het beroep van eiser tegen het niet tijdig beslissen door de minister van Asiel en Migratie op een aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf voor gezinshereniging nareis asiel. Eerder had de rechtbank een termijn van acht weken gesteld waarbinnen de minister moest beslissen. Omdat de minister deze termijn niet heeft nageleefd, is het beroep ingesteld.
De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk is, ondanks het ontbreken van een ingebrekestelling, vanwege de uitdrukkelijke en inmiddels verstreken termijn uit de eerdere uitspraak. De minister heeft in zijn verweerschrift het fifo-principe aangevoerd en aangegeven de aanvraag in februari 2026 te zullen behandelen, maar zonder concrete beslistermijn.
De rechtbank legt de minister een nieuwe beslistermijn van twee weken na verzending van deze uitspraak op en verbindt daaraan een dwangsom van € 250,- per dag met een maximum van € 37.500,-. Tevens wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiser en het griffierecht. Het beroep wordt gegrond verklaard en het niet tijdig beslissen vernietigd.