ECLI:NL:RVS:2025:5787

Raad van State

Datum uitspraak
28 november 2025
Publicatiedatum
26 november 2025
Zaaknummer
BRS.25.000946
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen niet tijdig nemen van besluit op aanvraag machtiging tot voorlopig verblijf

In deze zaak hebben betrokkenen, [betrokkene 1] en [betrokkene 2], beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door de minister van Asiel en Migratie op een aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf voor betrokkene 1. De rechtbank Den Haag heeft op 7 juli 2025 het beroep gegrond verklaard en de minister opgedragen binnen een bepaalde termijn een besluit te nemen, met een dwangsom voor elke dag dat deze termijn overschreden wordt. De minister heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 28 november 2025 geoordeeld dat de wet van 12 maart 2025, die de beslistermijn voor mvv-aanvragen in het kader van nareis verlengt, niet van toepassing is op aanvragen die voor de inwerkingtreding van deze wet zijn ingediend. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank en oordeelt dat de minister de beslistermijn van negentig dagen moet hanteren, zoals die gold ten tijde van de aanvraag. De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitspraak

BRS.25.000946
Datum uitspraak: 28 november 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 7 juli 2025 in zaak nr. NL25.22687 in het geding tussen:
[betrokkene 1] en [betrokkene 2] (hierna samen; betrokkenen)
en
de minister.
Procesverloop
Betrokkenen hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om betrokkene 1 een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen.
Bij uitspraak van 7 juli 2025 heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit vernietigd, bepaald dat de minister binnen vier weken alsnog een besluit op de aanvraag bekendmaakt, binnen acht weken als zij gelegenheid tot herstel van verzuimen biedt en binnen zestien dan wel twintig weken als zij heeft besloten tot nader onderzoek, en dat de minister aan betrokkenen een dwangsom verbeurt van € 100,00 voor elke dag dat zij die termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,00.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkenen, vertegenwoordigd door mr. A. Khalaf, advocaat in Zwolle, hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
Inleiding
1.        Betrokkene 2 heeft op 18 oktober 2024 een mvv-aanvraag in het kader van nareis ingediend voor haar vader, betrokkene 1. De minister heeft bij brief van 25 oktober 2024 bevestigd dat zij de mvv-aanvraag heeft ontvangen en zij heeft de beslistermijn verlengd van negentig dagen naar zes maanden. Partijen betwisten niet dat die verlenging van de beslistermijn rechtmatig is. Partijen verschillen erover van mening of de wet van 12 maart 2025 (Stb. 2025, 79), waarbij de beslistermijn voor alle mvv-aanvragen in het kader van nareis is verlengd van negentig dagen naar negen maanden, van toepassing is op de mvv-aanvraag van betrokkenen.
1.1.        Op grond van de wet van 12 maart 2025 is artikel 2u van de Vw 2000 gewijzigd. Ingevolge artikel 2u, vierde lid, van de Vw 2000 moet de minister zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen negen maanden na indiening van de mvv-aanvraag in het kader van nareis, een besluit op die aanvraag nemen. De minister kan deze termijn verlengen in geval van bijzondere omstandigheden die verband houden met het complexe karakter van de behandeling van de aanvraag. De wet van 12 maart 2025 is op 28 maart 2025 in werking getreden.
1.2.        De rechtbank heeft overwogen dat de wet van 12 maart 2025 niet van toepassing is op de mvv-aanvraag van betrokkenen, omdat de minister de aanvraag op grond van artikel 1.27 van het Vb 2000 moest beoordelen aan de hand van het recht dat gold op het tijdstip waarop zij de aanvraag heeft ontvangen. Dit betekent dat de minister uiterlijk binnen zes maanden na de indiening van de mvv-aanvraag een besluit moest nemen. Dat heeft de minister niet gedaan.
1.3.        Deze uitspraak gaat over de vraag of de verlenging van de beslistermijn voor mvv-aanvragen in het kader van nareis van negentig dagen naar negen maanden, op grond van de wet van 12 maart 2025, ook van toepassing is op mvv-aanvragen die al waren ingediend voordat die wet op 28 maart 2025 in werking is getreden. De Afdeling is net als de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is. Zij legt hieronder uit hoe zij tot dit oordeel komt. Deze uitspraak gaat niet over de vraag of de verlenging van de beslistermijn uit de wet van 12 maart 2025 in het algemeen rechtmatig is.
Hoger beroep van de minister
2.        De enige grief is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de wet van 12 maart 2025 niet van toepassing is op de mvv-aanvraag van betrokkenen. De minister betoogt in de eerste plaats dat de rechtbank niet heeft onderkend dat artikel 1.27 van het Vb 2000 niet van toepassing is bij de beantwoording van de vraag of de minister tijdig een besluit heeft genomen op de mvv-aanvraag. Vervolgens betoogt de minister dat, als artikel 1.27 van het Vb 2000 wel van toepassing is, dit niet wegneemt dat de wet van 12 maart 2025 geen overgangsrecht kent en dus onmiddellijke werking heeft.
2.1.        In artikel 1.27 van het Vb 2000 staat dat een mvv-aanvraag ‘wordt getoetst aan het recht dat gold op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen, tenzij uit de Wet anders voortvloeit of het recht dat geldt op het tijdstip waarop de beschikking wordt gegeven, voor de vreemdeling gunstiger is’. Uit de uitspraak van de Afdeling van 25 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2914, onder 5.1, volgt dat artikel 1.27 van het Vb 2000 van toepassing is op een mvv-aanvraag in het kader van nareis.
2.2.        Anders dan de minister betoogt, is artikel 1.27 van het Vb 2000 ook van toepassing op de beslistermijn bij een mvv-aanvraag. De grondslag voor artikel 1.27 van het Vb 2000 is te vinden in artikel 2cc van de Vw 2000, dat zowel gaat over materieel recht als over procedureel recht. Uit de tekst van artikel 1.27 van het Vb 2000 volgt ook niet dat die bepaling alleen van toepassing is op de inhoudelijke beoordeling van mvv-aanvragen. Dat artikel 1.27 van het Vb 2000 niet expliciet verwijst naar artikel 2u van de Vw 2000, is niet doorslaggevend. Daarbij acht de Afdeling van belang dat in de nota van toelichting bij artikel 1.27 van het Vb 2000 (Stb. 2012, 308, pagina 13) staat dat ‘wijzigingen in het recht ten nadele van de vreemdeling niet [worden] tegengeworpen bij de behandeling van de aanvraag’. De behandeling van de mvv-aanvraag beperkt zich niet tot de inhoudelijke beoordeling van de aanvraag. De Afdeling verstaat daaronder ook de procedurele aspecten van de behandeling van een mvv-aanvraag, waaronder de termijn waarbinnen de minister een besluit moet nemen op de mvv-aanvraag. Het woord ‘recht’ in artikel 1.27 van het Vb 2000 omvat dus zowel materieel als procedureel recht. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 11 april 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BQ1516, onder 2.2.2, over de vergelijkbare bepaling artikel 3.103 van het Vb 2000. De rechtbank is er terecht van uitgegaan dat artikel 1.27 van het Vb 2000 van toepassing is op de beslistermijn bij de mvv-aanvraag.
2.3.        De minister betoogt verder tevergeefs dat, ook in het geval dat artikel 1.27 van het Vb 2000 van toepassing is op de beslistermijn bij een mvv-aanvraag in het kader van nareis, dit niet wegneemt dat de wet van 12 maart 2025 onmiddellijke werking heeft. De minister gaat er met dit betoog aan voorbij dat artikel 1.27 van het Vb 2000 een uitzondering is op het onmiddellijkheidsbeginsel. Dat staat ook in de nota van toelichting bij die bepaling (Stb. 2012, 308, pagina 13). Op grond van artikel 1.27 van het Vb 2000 geldt het recht dat gold ten tijde van de mvv-aanvraag, tenzij uit de Vw 2000 anders voortvloeit of het recht ten tijde van het besluit voor de vreemdeling gunstiger is. Die situatie doet zich hier niet voor, omdat de beslistermijn van negen maanden uit de wet van 12 maart 2025 voor betrokkenen ongunstiger is dan de beslistermijn van negentig dagen, die ten tijde van de mvv-aanvraag uit artikel 2u van de Vw 2000 volgde. Verder stelt de Afdeling vast dat de wet van 12 maart 2025 geen expliciete uitzondering op artikel 1.27 van het Vb 2000 heeft gemaakt binnen de Vw 2000. Voor zover de minister betoogt dat artikel 2u, vierde lid, van de Vw 2000 een uitzondering maakt op artikel 1.27 van het Vb 2000, volgt de Afdeling dit betoog niet, omdat dit niet uit de tekst van artikel 2u, vierde lid, van de Vw 2000 valt af te leiden. Artikel 1.27 van het Vb 2000, in het bijzonder de zinsnede ‘tenzij uit de Wet anders voortvloeit’, zou zinledig worden als de Vw 2000 van die bepaling kan afwijken zonder een expliciete vermelding daarvan.
2.4.        Gelet op het voorgaande geldt, onder het huidige recht, voor de beslistermijn bij mvv-aanvragen in het kader van nareis de hoofdregel uit artikel 1.27 van het Vb 2000 dat het recht dat gold ten tijde van de mvv-aanvraag van toepassing is. Dit betekent dat voor mvv-aanvragen in het kader van nareis die zijn ingediend voordat de wet van 12 maart 2025 op 28 maart 2025 in werking is getreden, een beslistermijn van negentig dagen geldt. De grief slaagt niet.
Conclusie
3.        Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        bevestigt de aangevallen uitspraak;
II.        veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij betrokkene in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 907,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
III.        bepaalt dat van de minister van Asiel en Migratie een griffierecht van € 579,00 wordt geheven.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. M. Soffers, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.E. Pronk, griffier.
w.g. Sevenster
voorzitter
w.g. Pronk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 28 november 2025
1028