Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:6254

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 januari 2026
Publicatiedatum
23 maart 2026
Zaaknummer
AWB - 25 _ 982
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 37 Wet MRBArt. 67c AWRArt. 1 Eerste Protocol EVRMArt. 17 Handvest van de grondrechten EUVerordening 688/2011
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Naheffingsaanslagen motorrijtuigenbelasting en verzuimboete terecht opgelegd zonder schending EU-verkeersvrijheden

Eiseres, houder van een Toyota Combi met kenteken, kreeg naheffingsaanslagen motorrijtuigenbelasting (Mrb) en een verzuimboete opgelegd door de Belastingdienst over de periodes 25 oktober 2022 tot 24 oktober 2023 en 25 oktober 2023 tot 24 mei 2024. De naheffingsaanslagen volgden op een onderzoek waaruit bleek dat het voertuig niet voldeed aan de inrichtingseisen voor de kwalificatie als bestelauto volgens de Wet MRB.

Eiseres voerde aan dat de heffing in strijd was met het Unierecht, met name Verordening 688/2011 en de verkeersvrijheden van het VWEU, en dat het recht op eigendom zoals neergelegd in artikel 17 van Pro het Handvest van de grondrechten van de EU en artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM werd geschonden. De rechtbank oordeelde dat de heffing uitsluitend op nationale wetgeving is gebaseerd en niet binnen de werkingssfeer van het Unierecht valt. De verkeersvrijheden en genoemde EU-rechten zijn niet van toepassing.

De rechtbank stelde vast dat de naheffingsaanslagen en de verzuimboete terecht zijn opgelegd, omdat eiseres niet het juiste tarief heeft voldaan en geen sprake is van afwezigheid van alle schuld (avas). De beroepen werden daarom ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door rechter M.J. Pelinck op 23 januari 2026.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de beroepen tegen de naheffingsaanslagen en verzuimboete motorrijtuigenbelasting ongegrond.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht
zaaknummers: SGR 25/982 en SGR 25/987

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 januari 2026 in de zaken tussen

[eiseres] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres

(gemachtigde: A.F.M.J. Verhoeven),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres over het tijdvak 25 oktober 2022 tot en met 24 oktober 2023 een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting (Mrb) opgelegd, alsmede een verzuimboete van € 1.077 (SGR 25/982).
Verweerder heeft aan eiseres over het tijdvak 25 oktober 2023 tot en met 24 mei 2024 een naheffingsaanslag Mrb opgelegd (SGR 25/987).
Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 3 januari 2025 de naheffingsaanslagen en de boetebeschikking gehandhaafd.
Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 oktober 2025.
Namens eiseres is verschenen haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. [naam 1] en [naam 2] .

Overwegingen

Feiten
1. Eiseres is blijkens de kentekenregistratie van 25 april 2018 tot en met 24 mei 2024 houder geweest van een motorrijtuig van het merk Toyota, type Combi met het kenteken [kenteken] (de auto). De datum eerste toelating van dit voertuig is 25 april 2018 en vanaf dit moment is het voertuig op naam van eiseres gesteld.
2. De RDW heeft het voertuig op 20 november 2017 gekeurd met inrichtingsomschrijving carrosserietype “BC (Opleggertrekker)”.
3. Op 26 september 2023 heeft een nader onderzoek plaatsgevonden naar de inrichtingseisen van het voertuig. Van deze controle is opgemaakt een rapport “Onderzoek bestelauto met dubbele cabine en gesloten laadruimte”.
4. Verweerder heeft eiser bij brief van 10 juli 2024 meegedeeld dat het voertuig niet voldoet aan de inrichtingseisen die zijn gesteld voor de kwalificatie van ‘bestelauto’ voor toepassing van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (Wet MRB). In deze brief heeft verweerder zijn voornemen kenbaar gemaakt om over de periode 25 oktober 2022 tot en met 24 oktober 2023 een naheffingsaanslag Mrb op te leggen ten bedrage van € 2.155 en een verzuimboete van € 1.077. Eiseres heeft hier niet op gereageerd.
5. Met dagtekening 30 augustus 2024 heeft verweerder een naheffingsaanslag opgelegd van € 2.155 over de periode 25 oktober 2022 tot en met 24 oktober 2023. Gelijktijdig met deze naheffingsaanslag is een boetebeschikking opgelegd van € 1.077.
Met dezelfde dagtekening is een naheffingsaanslag opgelegd van € 1.312 over de periode 25 oktober 2023 tot en met 24 mei 2024.

Geschil6. In geschil is of verweerder de naheffingsaanslagen en de boete terecht heeft opgelegd.

7. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de onderhavige heffing van Mrb alsmede de daarbij opgelegde boete strijdig zijn met het Unierecht.
8. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de heffing van Mrb niet binnen de werkingssfeer van het Unierecht valt. Verder stelt verweerder dat nu eiseres Mrb verschuldigd was naar het tarief voor een personenauto en niet op aangifte naar dat tarief belasting heeft voldaan, de boete terecht is opgelegd.
9. Tussen partijen is niet in geschil is dat beoordeeld naar alleen nationaal recht de naheffingsaanslagen terecht zijn opgelegd.
Beoordeling van het geschil
10. Eiser stelt dat de heffing van Mrb in het onderhavige geval strijdig is met Verordening 678/2011 en/of met de verkeersvrijheden van het VWEU. Daaromtrent overwoog Gerechtshof Amsterdam in een overeenkomstig geval: [1]
“5.3. De mrb wordt niet geheven ter uitvoering van een Unierechtelijke verplichting of op grond van een bevoegdheid die is ontleend aan het recht van de Unie. Er bestaat geen relatie tussen de door belanghebbende genoemde Verordening 678/2011 en de begrippen “personenauto” en “bestelauto” in de Wet mrb. De heffing van de mrb vindt uitsluitend haar grondslag in een nationale bevoegdheid, te weten de in de Wet mrb neergelegde bevoegdheid om mrb te heffen ter zake van het houden van personenauto’s, bestelauto’s, motorrijwielen, vrachtauto’s en autobussen, dan wel het met dergelijke voertuigen gebruik maken van de weg.
De naheffingsaanslag betreft bovendien een zuiver nationale aangelegenheid. (…) De bestreden naheffing heeft plaatsgevonden omdat de auto niet voldoet aan de inrichtingseisen die de Wet mrb stelt voor kwalificatie als ‘bestelauto’. Het hof vermag niet in te zien dat de toepassing van de nationale belastingwetgeving onder deze omstandigheden leidt tot een schending van door het VWEU gewaarborgde verkeersvrijheden.”
De rechtbank maakt deze overwegingen tot de hare en is dienovereenkomstig van oordeel dat in dit geval Verordening 688/2011 noch de verkeersvrijheden van het VWEU aan de orde zijn.
11. Eiser stelt voorts dat de heffing van Mrb in het onderhavige geval wordt verhinderd door het recht op eigendom zoals neergelegd in artikel 17 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest). De bepalingen van het Handvest zijn alleen van toepassing in situaties waarin het Unierecht tot uitvoering wordt gebracht. [2] Zoals hiervoor overwogen is daarvan in dit geval geen sprake, zodat het Handvest toepassing mist.
12. Omdat artikel 17 van Pro het Handvest inhoudelijk overeen komt met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM (artikel 1 EP Pro) vult de rechtbank de gronden van het beroep van eiser daarmee aan. Zij verwerpt het beroep van eiser op het recht van eigendom, zoals vervat in die bepaling, op grond van overwegingen dat de wetgever met de onderhavige heffing ruim binnen zijn
margin of appreciationis gebleven terwijl eiser niet heeft gesteld en ook overigens niet aannemelijk is dat de onderhavige heffing zou voeren tot een individuele en onevenredige last.
13. Bij het oordeel van de rechtbank dat het Unierecht niet van toepassing is en artikel 1 EP Pro niet is geschonden, is buiten geschil dat de naheffingsaanslagen terecht zijn opgelegd. Dat betekent dat de beroepen tegen de naheffingsaanslagen ongegrond zijn.
14. Bij de naheffingsaanslag over het tijdvak 24 oktober 2022 tot en met 23 oktober 2023 heeft verweerder op de voet van de artikelen 37 van de Wet MRB jo. 67c van de AWR en § 34, tweede lid, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst een verzuimboete opgelegd ten bedrage van 50% van het nageheven bedrag.
Voor het opleggen van een verzuimboete op grond van de hiervoor genoemde bepalingen is niet opzet of grove schuld vereist, maar volstaat de constatering dat te weinig belasting op aangifte is voldaan. Wel moet de boete achterwege te blijven bij afwezigheid van alle schuld (avas). De stelplicht en bewijslast daaromtrent rust op de belastingplichtige.
Eiseres heeft niet gesteld dat sprake is van avas; niet met zoveel woorden en evenmin door feiten te stellen waarin avas besloten kan liggen. Daarmee moet het beroep ook voor zover het is gericht tegen de boetebeschikking ongegrond worden verklaard.
Proceskosten
15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Pelinck, rechter, in aanwezigheid van mr. L.J.E. Steijvers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2026.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).
Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.
Verder vermeldt u ten minste het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Voetnoten

1.Gerechtshof Amsterdam 11 mei 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:1301. Zie ook Gerechtshof ’sHertogenbosch 2 mei 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:1720 en
2.Artikel 51, eerste lid, van het Handvest, en zie HvJ 26 februari 2013, Åkerberg Fransson, C‑617/10, ECLI:EU:C:2013:105.