ECLI:NL:RBDHA:2026:6261

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 maart 2026
Publicatiedatum
23 maart 2026
Zaaknummer
NL26.4097
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 8:55d AwbArtikel 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens ontbreken procesbelang bij niet tijdig beslissen mvv-aanvraag

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op haar aanvraag van 22 mei 2024 om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor gezinshereniging nareis asiel. De rechtbank constateert dat de minister de beslistermijn heeft overschreden en dat eiseres de minister rechtsgeldig in gebreke heeft gesteld. De rechtbank legt de minister een nadere beslistermijn van acht weken op, met een mogelijke verlenging tot twintig weken bij nader onderzoek, en verbindt daaraan een dwangsom van € 100,- per dag met een maximum van € 15.000,-.

Het eerste beroep van eiseres is gegrond verklaard, waarbij de minister is veroordeeld tot het nemen van een besluit binnen de gestelde termijn en tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. Het tweede beroep, ingediend op 23 januari 2026, wordt echter niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang, omdat eiseres met dit tweede beroep niet meer kan bereiken dan met het eerste. De rechtbank wijst het tweede beroep af en veroordeelt de minister tot vergoeding van de proceskosten en griffierecht van het eerste beroep.

Uitkomst: Het tweede beroep van eiseres wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.2246 en NL26.4097

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres (gemachtigde: mr. M.A. Vegter),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

Deze uitspraak gaat over de beroepen die eiseres heeft ingediend, omdat de minister volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar aanvraag van 22 mei 2024 om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor gezinshereniging nareis asiel en een mvv voor verblijf voor gezinshereniging nareis asiel – artikel 8 EVRM Pro (de aanvraag).

Overwegingen

1. De rechtbank vindt het in deze zaak niet nodig om partijen uit te nodigen voor een zitting.1
2. Voor aanvragen die zijn ingediend vóór 28 maart 2025 geldt een beslistermijn van 90 dagen na indiening daarvan. De minister kan deze termijn verlengen met ten hoogste drie maanden.2 De minister heeft van deze bevoegdheid gebruik gemaakt.
3. Als een bestuursorgaan niet op tijd op een aanvraag beslist, dan kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog moet worden beslist op zijn aanvraag (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen.3
Is het beroep van eiseres geregistreerd onder nummer NL26.2246 gegrond?
4. De rechtbank stelt vast dat de termijn waarbinnen de minister had moeten beslissen op de aanvraag is overschreden. De rechtbank stelt verder vast dat eiseres de minister rechtsgeldig in gebreke heeft gesteld. Eiseres heeft meer dan twee weken daarna beroep
1. Artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3 Artikel 6:2, onder b, en 6:12, tweede lid, van de Awb.
ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op haar aanvraag. Dit betekent dat het beroep terecht is ingediend. Het beroep is kennelijk gegrond.
Welke nadere beslistermijn legt de rechtbank aan de minister op?
5. De rechtbank geeft de minister in beginsel een termijn van twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om alsnog een besluit te nemen.4 Er kunnen omstandigheden zijn die ervoor zorgen dat de rechtbank een andere termijn geeft.5
6. In de uitspraak van 17 maart 2023 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, geoordeeld dat bij nareisaanvragen sprake is van zo'n bijzonder geval.6 Ook heeft de rechtbank in die uitspraak uitgangspunten geformuleerd voor het opleggen van een passende nadere beslistermijn. De rechtbank zal deze uitgangspunten ook in deze zaak toepassen.
7. De minister heeft een verweerschrift ingediend, waarin hij ingaat op algemene aspecten van het werken volgens het fifo-principe. Tevens heeft de minister aangegeven dat hij de aanvraag naar verwachting in januari 2027 in behandeling neemt. Onduidelijk is daardoor wanneer de minister gaat beslissen op de aanvraag. De rechtbank vindt het passend om te bepalen dat de minister binnen een termijn van acht weken na verzending van de uitspraak moet beslissen. Dit ligt anders als de minister binnen die termijn besluit tot nader onderzoek en hij dat schriftelijk aan eiseres meedeelt. In dat geval moet de minister het besluit binnen twintig weken na verzending van deze uitspraak bekend maken.
Legt de rechtbank de minister een rechterlijke dwangsom op?
8. De rechtbank verbindt aan haar uitspraak een dwangsom overeenkomstig het beleid dat de rechtbanken in dit verband hanteren.7 De rechtbank bepaalt in deze zaak dat de minister een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de minister de in de uitspraak bepaalde beslistermijn nu nog overschrijdt. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-. De rechtbank ziet geen aanleiding om een lagere dwangsom op te leggen, zoals de minister heeft verzocht.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt en dat de minister binnen de onder 7. genoemde termijn alsnog een besluit op de aanvraag bekend moet maken. Als de minister dat niet doet, moet hij een dwangsom betalen.
10. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres ook een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. De minister moet dit betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht is dit een vast bedrag, omdat eiseres een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor haar een beroepschrift in te dienen. Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden, wordt een lager bedrag toegekend
4 Artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb.
5 Artikel 8:55d, derde lid, van de Awb.
7 Artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb.
Zie https://www.rechtspraak.nl/Onderwerpen/Overheidsorganisatie-beslist-niet-op-tijd/Paginas/extra-dwangsom.aspx.
(wegingsfactor 0,5). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5). Ook moet de minister het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden.
Is het beroep van eiseres geregistreerd onder nummer NL26.4097 ontvankelijk?
11. De rechtbank verklaart het beroep dat eiseres op 23 januari 2026 heeft ingesteld niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang. Eiseres kan door het voeren van deze tweede procedure wegens niet tijdig beslissen namelijk niet meer bereiken dan met het beroep dat hij al op 13 januari 2026 heeft ingesteld. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
In het beroep geregistreerd onder nummer: NL26.2246
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt de minister op om binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit op de aanvraag bekend te maken dan wel aan eiseres nader onderzoek aan te bieden en dit aan eiseres mee te delen;
  • draagt de minister op om, in het geval nader onderzoek wordt aangeboden, binnen twintig weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit op de aanvraag bekend te maken;
  • bepaalt dat de minister aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
  • bepaalt dat de minister het door eiseres betaalde griffierecht van € 200,- vergoedt;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 467,-. In het beroep geregistreerd onder nummer: NL26.4097
  • verklaart het beroep niet-ontvankelijk
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van
M.H.G.P. Tober, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
19 maart 2026

Documentcode: [Documentcode]

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.