Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:6286

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 april 2026
Publicatiedatum
23 maart 2026
Zaaknummer
11963662 \ RL EXPL 25-21285
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:230h lid 2 sub d BWArt. 6:96 BWArt. 6:119 BWRichtlijn 93/13/EEG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betalingsovereenkomst en toetsing prijsbeding in geneeskundige behandelovereenkomst

De Stichting [eisende partij] leverde niet-gecontracteerde zorg aan [gedaagde partij] en stuurde facturen ter betaling die niet voldaan werden. De eiser vorderde betaling van het openstaande bedrag, vermeerderd met wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten.

De gedaagde voerde verweer dat zij alleen kopiefacturen had ontvangen en nog in afwachting was van vergoeding door haar zorgverzekeraar. De rechtbank toetste ambtshalve het prijsbeding in de geneeskundige behandelovereenkomst aan de Richtlijn oneerlijke bedingen 93/13/EEG en concludeerde dat het prijsbeding niet transparant was, omdat voorafgaand aan de behandeling geen duidelijke prijsinformatie werd verstrekt.

Desondanks oordeelde de rechtbank dat het prijsbeding niet oneerlijk was omdat de uiteindelijke prijs overeenkomt met de vergoeding van de zorgverzekeraar plus het eigen risico, waardoor het evenwicht tussen partijen niet aanzienlijk wordt verstoord. Het verweer van de gedaagde werd verworpen wegens ontbreken van bewijs en niet verschijnen ter zitting.

De rechtbank veroordeelde de gedaagde tot betaling van het totale bedrag van € 2.842,76, bestaande uit de hoofdsom, incassokosten en wettelijke rente, en legde tevens proceskosten op. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van € 2.842,76 inclusief rente en incassokosten.

Uitspraak

RECHTBANKDEN HAAG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Den Haag
JB/bc
Zaaknummer: 11963662 \ RL EXPL 25-21285
Vonnis van 2 april 2026
in de zaak van
STICHTING [eisende partij],
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eisende partij] ,
gemachtigde: mr. H.A. Roos,
tegen
[gedaagde partij],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde partij] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 5 november 2025;
  • de aantekeningen van de griffier van de mondeling genomen conclusie van antwoord van 25 november 2025;
  • de akte aanvullende producties van de zijde van [eisende partij] .
1.2.
Op 25 november 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Voor [eisende partij] is verschenen [naam] . [gedaagde partij] is op deze mondelinge behandeling niet verschenen. Van het verhandelde ter zitting zijn door de griffier aantekeningen gemaakt, die zich in het griffiedossier bevinden. Vervolgens is de datum van de uitspraak van dit vonnis bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
[eisende partij] heeft niet-gecontracteerde zorg aan [gedaagde partij] geleverd.
2.2.
[eisende partij] heeft [gedaagde partij] op 12 februari 2024, 19 maart 2024, en 22 april 2024 uit hoofde van de door [eisende partij] geleverde zorg facturen gestuurd. Het totaalbedrag van deze facturen is € 2.251,00. Dit bedrag is door [gedaagde partij] niet betaald.

3.Het geschil

3.1.
[eisende partij] vordert - samengevat – veroordeling van [gedaagde partij] tot betaling van € 2.842,76, vermeerderd met wettelijke rente tot aan 31 oktober 2025 en buitengerechtelijke incassokosten. [eisende partij] legt hieraan ten grondslag dat [gedaagde partij] een bedrag van € 2.251,00 verschuldigd is uit hoofde van de tussen partijen tot stand gekomen geneeskundige behandelingsovereenkomst. Doordat [gedaagde partij] ondanks aanmaning en sommatie in gebreke is gebleven met betaling van de facturen, zag [eisende partij] zich genoodzaakt om haar vordering uit handen te geven en buitengerechtelijke incassokosten te maken. Deze kosten van € 408.56 dienen volgens [eisende partij] voor rekening van [gedaagde partij] te komen. Verder maakt [eisende partij] aanspraak op de reeds vervallen wettelijke rente van € 183,20.
3.2.
[gedaagde partij] voert verweer. [gedaagde partij] voert in aan dat zij enkel kopiefacturen heeft ontvangen, maar dat zij voor haar verzekering de originele facturen nodig heeft. Volgens [gedaagde partij] heeft zij de originele facturen recent ingediend bij de verzekeraar en is zij momenteel in afwachting van de vraag welk bedrag door haar verzekeraar vergoed gaat worden.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
De geneeskundige behandelovereenkomst die aan de gecedeerde vordering ten grondslag ligt is gesloten tussen [eisende partij] als handelaar en [gedaagde partij] als consument. In dat geval moet ambtshalve, dus ook als dat door partijen niet aan de orde is gesteld en/of de vordering is erkend, worden getoetst aan het Europese en Nederlandse consumentenrecht.
4.2.
Ambtshalve toetsing van informatieplichten is hier niet aan de orde, omdat een geneeskundige behandelovereenkomst op grond van artikel 6:230h lid 2 sub d van het Burgerlijk Wetboek (BW) is uitgezonderd van toetsing. Wel dienen het prijsbeding en de betalingsvoorwaarden van [eisende partij] ambtshalve getoetst te worden aan de Richtlijn oneerlijke bedingen 93/13/EEG. Ingevolge artikel 4 lid 2 van Pro deze richtlijn zijn kernbedingen (zoals het prijsbeding) echter uitgesloten van toetsing op oneerlijkheid mits deze transparant zijn.
Prijsbeding
Transparantie
4.3.
Zoals verplicht is gesteld door de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) heeft [eisende partij] op haar website de tarieven voor de verschillende behandelingen per behandeling/NZa code gepubliceerd (de zogenaamde passantentarieven). Deze tarieven gelden niet voor gecontracteerde zorgverzekeraars. Daarvoor gelden andere (lagere) tarieven die niet openbaar zijn en rechtstreeks door de verzekeraar aan [eisende partij] worden betaald.
4.4.
Bij een niet-gecontracteerde zorgverzekeraar, waarvan in dit geval sprake is, brengt [eisende partij] het gepubliceerde passantentarief bij de patiënt in rekening. Deze factuur wordt via Infomedics verstuurd aan de patiënt, die de factuur zelf moet indienen bij zijn/haar zorgverzekeraar. Nadat de zorgverzekeraar (een gedeelte van) de factuur heeft uitbetaald aan de patiënt, moet de patiënt dit uitgekeerde bedrag doorbetalen aan Infomedics. Zodra [eisende partij] dan wel Infomedics de specificatie van de zorgverzekeraar met betrekking tot de factuur van de patiënt heeft gekregen, wordt het niet door de zorgverzekeraar vergoede gedeelte van het passantentarief gecrediteerd. Gevolg hiervan is dat zowel bij gecontracteerde zorg als bij niet-gecontracteerde zorg de patiënt uiteindelijk niet meer verschuldigd is dan hetgeen door de zorgverzekeraar wordt vergoed, naast eventueel verrekend eigen risico. Het enige verschil is dat bij gecontracteerde zorg het eigen risico door de zorgverzekeraar bij de patiënt in rekening wordt gebracht en bij niet-gecontracteerde zorg, zoals in dit geval, het eigen risico door de zorgverzekeraar verrekend wordt met de vergoeding aan de patiënt, zodat het verrekende eigen risico nog door de patiënt zelf aan [eisende partij] dan wel Infomedics betaald moet worden. Het uiteindelijk aan [eisende partij] verschuldigde bedrag voor een behandeling bestaat dus bij niet-gecontracteerde zorg uit het door de zorgverzekeraar aan de patiënt uitbetaalde bedrag, eventueel vermeerderd met het door de verzekeraar verrekenende eigen risico. Dit blijkt ook uit de brief die door [eisende partij] aan [gedaagde partij] is gestuurd.
4.5.
Op grond van het bovenstaande wordt geconcludeerd dat hoewel voornoemde informatie achteraf bij de factuur wordt gegeven, [eisende partij] voorafgaand aan de behandeling geen informatie heeft gegeven over de daadwerkelijke prijs van de behandeling. Weliswaar heeft zij de passantentarieven gepubliceerd op haar website, maar gesteld noch gebleken is dat [eisende partij] vóór de behandeling verwijst naar de door haar op haar website gepubliceerde passantentarieven. Daar komt bij dat de prijs die betaald wordt voor gecontracteerde zorg altijd lager is dan het passantentarief en de prijs voor niet-gecontracteerde zorg afhankelijk is van het bedrag dat de zorgverzekeraar achteraf vergoedt. In dat laatste geval staat de prijs die [eisende partij] uiteindelijk in rekening brengt, voorafgaand aan de behandeling, dus nog niet vast. Conclusie is dan ook dat het prijsbeding niet transparant is en getoetst moet worden op oneerlijkheid.
Oneerlijkheid
4.6.
Volgens artikel 3, lid 1 van de richtlijn wordt een beding in een overeenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, als oneerlijk beschouwd indien het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. Uit de bij dagvaarding overgelegde brief van [eisende partij] aan [gedaagde partij] blijkt voldoende dat [eisende partij] de prijs voor de behandeling achteraf aanpast aan de vergoeding die de zorgverzekeraar voor de behandeling aan de patiënt betaalt (door kwijtschelding van het meerdere).
4.7.
Als [gedaagde partij] uiteindelijk alleen de vergoeding van de zorgverzekeraar en het verrekende eigen risico hoeft te betalen aan Infomedics, wordt geoordeeld dat het prijsbeding niet oneerlijk is. Het evenwicht tussen partijen is dan namelijk door de intransparantie van de uiteindelijke prijs niet in strijd met de goede trouw aanzienlijk verstoord. [eisende partij] brengt immers (uiteindelijk) alleen de prijs in rekening die door de zorgverzekeraar aan de patiënt wordt vergoed, in dit geval vermeerderd met het verrekende eigen risico. Dat in het onderhavige geval [gedaagde partij] de factuur eerst zelf bij haar zorgverzekeraar moest indienen en de van haar zorgverzekeraar ontvangen vergoeding aan [eisende partij] moest betalen, vermeerderd met het hiermee verrekende bedrag aan eigen risico, maakt het voorstaande niet anders.
Verweer van [gedaagde partij]
4.8.
De kantonrechter verwerpt het verweer van [gedaagde partij] . Ter zitting heeft [eisende partij] verklaard dat zij na het verweer van [gedaagde partij] niets meer van [gedaagde partij] heeft gehoord, ondanks pogingen van [eisende partij] daartoe. Tevens heeft [eisende partij] verklaard dat [gedaagde partij] altijd de originele facturen heeft gehad en daar eenvoudig toegang tot had kunnen krijgen, als ze die niet had. Door niet te verschijnen op zitting, heeft [gedaagde partij] dit niet kunnen weerspreken. Dit betekent dat [gedaagde partij] zal worden veroordeeld tot betaling van € 2.251,00.
Buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente
4.9.
[eisende partij] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eisende partij] heeft [gedaagde partij] een aanmaning gestuurd die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW Pro. Het gevorderde bedrag van € 408,56 aan buitengerechtelijke incassokosten komt overeen met het in het Besluit bepaalde tarief en zal worden toegewezen. De wettelijke rente zal als onweersproken, en op de wet gegrond, ook worden toegewezen.
Totaal [gedaagde partij] te betalen
4.10.
Uit het voorgaande volgt dat in totaal het volgende bedrag wordt toegewezen:
- hoofdsom
2.251,00
- buitengerechtelijke incassokosten
408,56
- wettelijke rente
183,20
+
Totaal
2.842,76
4.11.
[gedaagde partij] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisende partij] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
146,14
- griffierecht
514,00
- salaris gemachtigde
476,00
(2 punten × € 238,00)
- nakosten
119,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.255,14

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde partij] om aan [eisende partij] te betalen een bedrag van € 2.842,76, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over een bedrag van € 2.251,00, met ingang van 31 oktober 2025, tot de dag van volledige betaling;
5.2.
veroordeelt [gedaagde partij] in de proceskosten van € 1.255,14, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.A.W. Schippers en in het openbaar uitgesproken op 2 april 2026.