Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:6290

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 februari 2026
Publicatiedatum
23 maart 2026
Zaaknummer
24/2916
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:72 AwbArt. 2.1 WaboArt. 2.12 WaboArt. 3.5 WnbArt. 3.8 Wnb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging omgevingsvergunning steiger wegens zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek

De zaak betreft een omgevingsvergunning verleend door het college van burgemeester en wethouders van Katwijk voor het bouwen van een steiger in de Oude Rijn onder de bruggen bij de N-weg in een plaats in Zuid-Holland. Eiseres, eigenaar van een nabijgelegen pand met een restaurant, maakte bezwaar tegen de vergunning vanwege zorgen over overlast en sociale onveiligheid.

De rechtbank oordeelt dat de steiger voor het deel op grond met bestemming 'Verkeer' passend is binnen die bestemming als voet- en fietspad. Voor het deel in de bestemming 'Water' is de vergunning verleend in afwijking van het bestemmingsplan, waarvoor het college bevoegd was. De rechtbank wijst het betoog van eiseres af dat de steiger recreatief gebruik betreft of een verblijfsruimte is.

Echter, de rechtbank stelt vast dat het college onvoldoende rekening heeft gehouden met de belangen van eiseres en onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de steiger niet leidt tot overlast of onveilige situaties. Dit betreft een schending van het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. Daarom wordt het bestreden besluit vernietigd, maar met toepassing van artikel 8:72 Awb Pro blijven de rechtsgevolgen van het besluit in stand.

Eiseres krijgt vergoeding van griffierecht en proceskosten toegekend. De uitspraak is gedaan door rechter S.H. van den Ende op 26 februari 2026.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit vernietigd wegens zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek, maar de rechtsgevolgen van het besluit blijven in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/2916

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 februari 2026 in de zaak tussen

[eiseres] B.V., uit [plaats 1] , eiseres

(gemachtigde: mr. D.G. Lasschuit),
en

het college van burgemeester en wethouders van Katwijk, het college

(gemachtigde: mr. E.J.M.J.J. Houben en A.P. Eendebak).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
Boskalis Nederland B.V. uit Papendrecht (vergunninghouder).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over een verleende omgevingsvergunning voor een steiger in de Oude Rijn, onder de [bruggen] bij de [N-weg] in [plaats 2] . Eiseres is het niet eens met deze omgevingsvergunning. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college de omgevingsvergunning heeft mogen verlenen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de belangen van eiseres onvoldoende zijn betrokken in het bestreden besluit, bij de afweging of de steiger niet in strijd komt met een goede ruimtelijke ordening. Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is dus gegrond, maar de rechtbank ziet met toepassing van artikel 8:72, derde lid onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand te laten. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. In het besluit van 11 juli 2023 heeft het college aan vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een steiger in de Oude Rijn onder de [bruggen] bij de [N-weg] in [plaats 2] ( [kadastraal nummer] ), in afwijking van het bestemmingsplan. Eiseres (een holding) is eigenares en verhuurder van het pand gelegen aan de [adres] te [plaats 2] . In dat pand is het restaurant [restaurant] gevestigd. Eiseres vreest voor onaangenaam publiek dat de steiger zal aantrekken en heeft bezwaar gemaakt tegen de omgevingsvergunning van 11 juli 2023.
2.1.
Met het bestreden besluit van 29 februari 2024 op het bezwaar van eiseres heeft het college de omgevingsvergunning in stand gelaten.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Vergunninghouder heeft ook schriftelijk gereageerd.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 15 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam 1] en [naam 2] namens eiseres, de gemachtigde van eiseres, de gemachtigde van het college, en [naam 3] en [naam 4] namens de derde-partij.

Beoordeling door de rechtbank

Overgangsrecht
3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op
17 mei 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wabo van toepassing blijft.
Totstandkoming van het bestreden besluit
4. In verband met de nieuwe wegverbinding tussen [plaats 3] en [plaats 4] , de [wegverbinding] , zijn onder meer delen van de [N-weg] aangepast en vernieuwd. In het kader van die ontwikkeling wordt ook de openbare ruimte langs de [straatnaam] opnieuw ingericht. Vergunninghouder heeft een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor een steiger onder de [bruggen] bij de [N-weg] in [plaats 2] .
4.1.
De aanvraag voor de steiger ziet op de activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a van de Wabo en artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo. Op het perceel is het “ [bestemmingsplan] ” (hierna: bestemmingsplan) van toepassing. De steiger is voor een deel voorzien in het water en voor een deel op het land. Op het gedeelte dat in het water is voorzien, is de bestemming “Water” van toepassing. Op het gedeelte dat op het land is voorzien, is de bestemming “Verkeer” van toepassing. Volgens het college is de steiger, voor zover deze is voorzien in de bestemming “Water”, in strijd met die bestemming zoals omschreven in artikel 17.1 van de planregels. Het college heeft de omgevingsvergunning in afwijking van het bestemmingsplan verleend op grond van artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 2o van de Wabo, in samenhang met artikel 4, aanhef en onderdeel 3 van Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor). De relevante planregels staan in de bijlage bij deze uitspraak.
4.2.
Met het bestreden besluit heeft het college de verleende omgevingsvergunning in stand gelaten. Het college heeft de motivering van de omgevingsvergunning in het bestreden besluit aangevuld met een beoordeling van het aspect milieu. Het bouwplan voldoet volgens het college aan de bepalingen van het onderdeel soortenbescherming in de Wet natuurbescherming (Wnb). Ter onderbouwing heeft het college het besluit Wnb soortenbescherming van 12 november 2020 bijgevoegd. Dit betreft een ontheffing aan de Provincie Zuid-Holland, als bedoeld in artikel 3.8, eerste lid, van de Wnb, van de verboden uit artikel 3.5 van de Wnb in het kader van de renovatie van de [N-weg] . Ook stelt het college in dit verband dat er afstemming is geweest met een ecoloog met betrekking tot de beoordeling van verlichting in relatie tot vleermuizen in het definitief ruimtelijk inpassingsplan (DRIP) van 24 mei 2021. Vergunninghouder heeft het bouwplan inmiddels uitgevoerd.
Bestemming “Verkeer”
5. Eiseres betoogt dat het deel van de steiger dat op het land is aangelegd niet past in de bestemming “Verkeer”, zoals omschreven in artikel 14.1 van de planregels. De steiger kan volgens eiseres niet worden gezien als een “voet- en fietspad”. De steiger moet volgens eiseres namelijk worden uitgelegd als ‘constructie voor het aanmeren aan de waterkant van schepen’ naar de definitie uit het Nederlands woordenboek. Daarnaast blijkt volgens eiseres uit de aanvraag dat de steiger is aangevraagd voor recreatief gebruik, waardoor de steiger moet worden gezien als een verblijfsruimte en dat is ter plaatse niet toegestaan. De steiger kan volgens eiseres ook niet vallen onder ‘onderdoorgangen en andere kunstwerken’ uit
sub k van artikel 14.1 van de planregels.
5.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat de steiger, voor zover deze op grond met de bestemming “Verkeer” is aangevraagd, wel in deze bestemming past. Volgens het college is de steiger feitelijk niet meer dan verharding (met houten vlonders) van een wandel- en fietspad als bedoeld in artikel 14.1, onder c, van de planregels, binnen de bestaande [wegverbinding] . De functie van de grond voor langzaam verkeer blijft dus behouden, zodat van strijd met de bestemming “Verkeer” geen sprake is.
5.2.
Het betoog van eiseres slaagt niet. De rechtbank stelt vast dat een steiger is aangevraagd. In de aanvraag wordt het project als volgt omschreven: “Ten behoeve van de [N-weg] wordt er onder de [bruggen] over de Oude Rijn een steiger in de Oude Rijn geplaatst.”. De aanvraag biedt geen aanknopingspunt om aan te nemen dat een verblijfsruimte is aangevraagd. Dat eiseres op basis van stukken van het college, waaronder
e-mailcorrespondentie met vergunninghouder, de aanvraag zo interpreteert dat de steiger bedoeld zou zijn voor recreatief gebruik, doet niet af aan de vaststelling dat een steiger is aangevraagd. Naar het oordeel van de rechtbank hoeft de uitleg van het begrip steiger ook niet te worden beperkt tot een ‘constructie voor het aanmeren aan de waterkant van schepen’, zoals eiseres betoogt. De bestemming “Verkeer” voorziet ingevolge artikel 14.1, aanhef onder c, van de planregels in voet- en fietspaden. Het college heeft terecht kunnen vaststellen dat de steiger, voor het deel dat in de bestemming “Verkeer” ligt, geschikt is om te worden gebruikt als voet- en fietspad. Het college heeft daarover toegelicht dat de openbare ruimte onder de [bruggen] waar de steiger is voorzien bij de [wegverbinding] hoort. De omstandigheid dat de steiger ook kan worden gebruikt als plek om te verblijven, betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat geen sprake is van een voet- of fietspad. Ook ziet de rechtbank niet in dat verblijf in strijd is met de bestemming “Verkeer”. Dit volgt niet uit een (specifiek) gebruiksverbod binnen deze bestemming. Verder volgt de rechtbank eiseres niet in het standpunt dat alleen sprake kan zijn van een voet- of fietspad als dat onderdeel is van een doorlopende route. De door eiseres naar voren gebrachte omstandigheid dat er al een verhard voet- en fietspad is gerealiseerd aan de overkant van de [straatnaam] , doet er ook niet aan af dat de steiger als voet- en fietspad kan dienen.
5.3.
De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat het college zich op goede gronden op het standpunt stelt dat de steiger in overeenstemming is met de bestemming “Verkeer”.
5.4.
Het betoog van eiseres dat een aanlegvergunning was benodigd voor het realiseren van de steiger slaagt niet. De rechtbank volgt het college in het standpunt dat de bestemming “Verkeer” niet voorziet in een aanlegvergunningplicht.
Bestemming “Water”
6. Tussen partijen is niet in geschil is dat de steiger, voor zover deze ligt binnen de bestemming “Water”, in strijd is met die bestemming als omschreven in artikel 17.1 van de planregels. Om die strijdigheid op te heffen heeft het college een afwijking van artikel 17.1 van de planregels vergund, op basis van artikel 4, aanhef en onderdeel 3, van Bijlage II van het Bor.
6.1.
Eiseres betoogt dat het college geen gebruik kon maken van deze afwijkingsbevoegdheid omdat niet aan de toepassingsvoorwaarden is voldaan, nu de steiger voor deel in de bestemming “Verkeer” ligt.
6.2.
Dit betoog slaagt niet. Ter zitting is eiseres teruggekomen van het standpunt dat het niet waarschijnlijk is dat het gedeelte van de steiger in de bestemming “Water” onder de
50 m2 blijft. Uit metingen van het college blijkt dat minder dan 50 m2 van het bouwwerk in de bestemming “Water” ligt, zodat aan de toepassingsvoorwaarden van de afwijkingsmogelijkheid is voldaan. Het college was bevoegd was via artikel 4, aanhef en onderdeel 3 van Bijlage II van het Bor af te wijken van het bestemmingsplan ten aanzien van het gedeelte van het bouwwerk dat daarmee in strijd is, namelijk het deel dat is voorzien in de bestemming “Water”. Steun daarvoor vindt de rechtbank in de nota van toelichting bij het besluit van 4 september 2014 tot wijziging van het Bor, waarin is beoogd te verduidelijken dat bij een bouwwerk dat slechts gedeeltelijk in strijd is met het bestemmingsplan, uitsluitend dat gedeelte aan de in onderdeel 3 genoemde randvoorwaarden moet voldoen. [1]
Zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel
7. Eiseres voert verder aan dat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. Het college heeft onvoldoende rekening gehouden met de belangen van het restaurant [restaurant] en de impact op het terras van het restaurant. Dit terras is vanaf de steiger makkelijk te bereiken. Eiseres vreest voor overlast en sociaal onveilige situaties door personen die op de steiger af zullen komen. Aan de overkant van de oever is al eens drugshandel gesignaleerd, zo stelt eiseres. Het college heeft daarom onvoldoende gemotiveerd dat de steiger niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.
7.1.
Het college heeft in het verweerschrift toegelicht dat de steiger is gelegen op de [wegverbinding] , waardoor de aantasting van de sociale veiligheid die eiseres vreest, onwaarschijnlijk is. Die route langs de [straatnaam] voorziet in een verbinding tussen veel plekken (zoals bijvoorbeeld [plaats 2] en [stadsdeel] ) en wordt veelvuldig gebruikt door fietsers en wandelaars. De natuurlijke sociale controle is daar groot en daarom acht het college de kans op overlast en onveiligheid klein.
7.2.
Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen. [2]
7.3.
De rechtbank overweegt dat een belangenafweging alleen aan de orde is, voor zover van het bestemmingsplan wordt afgeweken. Omdat de steiger in overeenstemming is met de bestemming “Verkeer”, behoeft het college alleen een belangenafweging te maken over de gevolgen van de steiger, voor zover die binnen de bestemming “Water” is voorzien. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college zich op basis van de in het verweerschrift opgenomen motivering op het standpunt kunnen stellen dat deze afwijking van het bestemmingsplan niet in strijd komt met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiseres, voor zover sprake is van door haar gestelde overlast of onveilige situaties, niet concreet heeft gemaakt dat de steiger tot een wezenlijke toename van overlast en (sociaal) onveilige situaties zal leiden. Ook zonder de vergunde steiger is sprake van een onderdoorgang in de openbare ruimte, nabij het perceel van eiseres. Omdat het college pas in het verweerschrift, maar niet in het bestreden besluit, gemotiveerd is ingegaan op sociale veiligheid en overlast in relatie tot de belangen van eiseres, is het bestreden besluit in zoverre onzorgvuldig voorbereid en ontoereikend gemotiveerd. Het betoog van eiseres slaagt.
7.4.
Voor zover eiseres betoogt dat geen rekening is gehouden met de invloed van de steiger op vleermuizen onder de [bruggen] , treft dit betoog geen doel. Het college heeft toegelicht dat de invloed van verlichting in het DRIP van 24 mei 2021 is afgestemd met een ecoloog. Eiseres heeft niet concreet onderbouwd waarom de leefomgeving van daar aanwezige vleermuizen negatief wordt beïnvloed. Zij levert ook geen inhoudelijke betwisting van de door het college gegeven aanvullende motivering over het aspect flora- en fauna.
7.5.
De rechtbank ziet geen aanleiding het in 7.3 geconstateerde gebrek te passeren. Het beroep is daarom gegrond en de rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het verweerschrift alsnog toereikend heeft gemotiveerd dat afwijking van het bestemmingsplan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en dat de belangen van eiseres daarbij in voldoende mate zijn meegewogen. Daarom ziet de rechtbank aanleiding de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit geheel in stand te laten, met toepassing van artikel 8:72, derde lid onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dat betekent dat de verleende omgevingsvergunning in stand blijft.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is gelet op wat is overwogen onder 7.3 en 7.5 gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit van 29 februari 2024. De rechtbank laat met toepassing van artikel 8:72, derde lid onder a, van de Awb de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand.
8.1.
Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiseres vergoeden. Eiseres krijgt ook een vergoeding van haar proceskosten. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 29 februari 2024;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 371,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.H. van den Ende, rechter, in aanwezigheid van
mr.Y. Al-Qaq, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

[bestemmingsplan]
Artikel 14. Verkeer
(...)
De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
(...)
uurtontsluitingswegen;
voet- en fietspaden;
bermen en bermstroken;
kabels en leidingen;
groenvoorzieningen;
parkeervoorzieningen;
openbaar vervoervoorzieningen;
geluidwerende en geluidafschermende voorzieningen;
viaducten;
onderdoorgangen en andere kunstwerken;
bruggen;
(...)
Artikel 17. Water
(...)
De voor 'Water' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. water;
(…)
voet- en fietspaden;
(…)
Artikel 17.2 Bouwregels
Op de voor 'Water' aangewezen gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van deze bestemming worden gebouwd, met inachtneming van de volgende regels:
(…)

Voetnoten

1.Staatsblad 2014, 333, blz. 53.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 28 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:820.