ECLI:NL:RBDHA:2026:6294

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 maart 2026
Publicatiedatum
23 maart 2026
Zaaknummer
22/5464
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.3 Invoeringswet OmgevingswetArt. 3.9 WaboArt. 7:15 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen intrekking omgevingsvergunning aanleg verharding ongegrond verklaard

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Krimpenerwaard om een eerder verleende omgevingsvergunning voor de aanleg van een verharding op het perceel van een derde-partij in te trekken. Het college stelde dat de verharding vergunningvrij was, omdat deze op grond van het overgangsrecht uit het bestemmingsplan aanwezig mocht zijn.

De rechtbank overwoog dat de aanvraag om de omgevingsvergunning was ingediend vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet, waardoor de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) van toepassing bleef. De rechtbank bevestigde het standpunt van het college dat voor de aanleg van de verharding geen vergunning nodig was, mede gelet op eerdere uitspraken en het feit dat de verharding door de vorige eigenaar was aangebracht toen nog geen vergunningplicht gold.

Eiser voerde aan dat de verharding niet vergunningvrij was omdat de ondergrond was veranderd, en dat het college onzorgvuldig had gehandeld door af te wijken van het advies van de bezwaarschriftencommissie. Deze bezwaren werden door de rechtbank verworpen. Ook werd geoordeeld dat het college niet verplicht was een kostenvergoeding toe te kennen aan eiser. Het beroep werd ongegrond verklaard, waardoor eiser geen griffierecht of proceskosten vergoed krijgt.

Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de omgevingsvergunning voor de aanleg van de verharding wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 22/5464

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. I. Laurijssen),
en

het college van burgemeester en wethouders van Krimpenerwaard, het college

(gemachtigden: mr. [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2]).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij] uit [woonplaats]

(gemachtigden: mr. S.F. Knoop en mr. B. Pietersz).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen de intrekking van de omgevingsvergunning voor de aanleg van een verharding op het perceel van de derde-partij. Het college heeft de intrekking gebaseerd op het standpunt dat de verharding vergunningvrij mocht worden gerealiseerd. Eiser is het niet daar niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat voor het realiseren van de verharding geen omgevingsvergunning nodig is. Het beroep van eiser is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. In het besluit van 6 april 2021 heeft het college de derde-partij een omgevingsvergunning verleend ter legalisatie van de reeds aangelegde verharding op zijn perceel aan [adres 1] te [plaats]. Eiser heeft tegen de omgevingsvergunning bezwaar gemaakt.
2.1.
Met het bestreden besluit van 22 juli 2022 op het bezwaar van eiser heeft het college de omgevingsvergunning van 6 april 2021 ingetrokken en de aanvraag van de derde-partij buiten behandeling gesteld.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. De derde-partij heeft ook op het beroep gereageerd.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 23 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser
,bijgestaan door mr. Scholten, de gemachtigden van het college en de derde-partij, bijgestaan door zijn gemachtigden. Het beroep is gelijktijdig behandeld met de beroepen van eiser in de zaken 22/5468, 22/5470, 22/5472 en 24/9932. Ook in die zaken doet de rechtbank vandaag uitspraak.

Beoordeling door de rechtbank

Overgangsrecht Omgevingswet
3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De aanvraag om de omgevingsvergunning voor de aanleg van de verharding is ingediend op 5 mei 2020. Dat betekent dat in dat geval de Wabo van toepassing blijft.
Situatieschets
4. Eiser woont op [adres 2] in [plaats]. Zijn woning is gelegen aan een watergang die de erfafscheiding vormt tussen zijn perceel en het perceel van de derde-partij. De derde-partij is sinds 2015 eigenaar van het perceel [adres 1] (het perceel) en woont daar met zijn familie. Op het perceel was eerder een melkrundvee- en varkenshouderij gevestigd. Dat bedrijf is in 1995 beëindigd. De derde-partij heeft sinds de aankoop van het perceel verschillende werkzaamheden uitgevoerd op het perceel om onder meer de grond te saneren van de voormalige melkrundvee- en varkenshouderij. Tussen eiser en de derde-partij bestaat sindsdien onenigheid over het toegestane gebruik van de grond en opstallen op het perceel. Eiser heeft meerdere verzoeken om handhaving ingediend en meerdere omgevingsvergunningen voor activiteiten op het perceel aangevochten. De rechtbank heeft op 9 juni 2022 [1] uitspraak gedaan over een handhavingsgeschil ten aanzien van de rechtmatigheid van meerdere activiteiten op het perceel, waaronder het realiseren van de verharding. Bij uitspraak van 25 februari 2026 [2] heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) uitspraak gedaan op het hoger beroep van eiser tegen die uitspraak.
Het bestreden besluit
5. Het college heeft zich – in afwijking van het advies van de bezwaarschriftencommissie – op het standpunt gesteld dat voor de aanleg van de verharding geen omgevingsvergunning vereist is, omdat de verharding op grond van het overgangsrecht uit het bestemmingsplan op het perceel aanwezig mag zijn. Het college verwijst voor de motivering van dit standpunt naar de uitspraak van de rechtbank van 9 juni 2022.
De standpunten in beroep
6. Eiser betoogt dat de verharding niet vergunningvrij is omdat de verharding niet onder het overgangsrecht valt. In het verleden werd deze verharding gebruikt voor een paardenbak bestaande uit zand en weiland en de derde-partij heeft de ondergrond volgens eiser opnieuw verhard met split/grind. Volgens eiser is daarom geen sprake van voortgezet gebruik. Eiser betoogt verder dat de besluitvorming van het college om verschillende redenen onzorgvuldig is en dat het college niet contrair mocht gaan aan het advies van de bezwaarschriftencommissie. Ook vindt eiser dat de rechtbank daar ten onrechte aan voorbij is gegaan in de uitspraak van 9 juni 2022 en dat de rechtbank in de uitspraak van 9 juni 2022 niet goed gemotiveerd heeft waarom het standpunt van het college in die procedure gevolgd kon worden.
6.1.
Het college en de derde-partij hebben ongegrondverklaring van beroep bepleit. In aanvulling daarop verwijt de derde-partij eiser misbruik van recht, omdat hij nodeloos procedures aanspant tegen activiteiten op het perceel.
Het oordeel van de rechtbank
7. De rechtbank stelt voorop dat het college de aanvankelijk verleende omgevingsvergunning voor de verharding met het bestreden besluit heeft ingetrokken. Eiser heeft in zoverre met zijn bezwaar bereikt wat hij daarmee beoogde. Eiser is het weliswaar niet eens met de reden voor die intrekking, maar dit leidt niet tot gegrondverklaring van het beroep. De vraag of het college terecht het standpunt heeft ingenomen dat de derde-partij voor de verharding geen omgevingsvergunning nodig had, heeft de rechtbank al positief beantwoord in de uitspraak van 9 juni 2022. De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd geen grond om thans tot een ander oordeel te komen. Van gewijzigde feiten of omstandigheden ten opzichte van de situatie ten tijde van die uitspraak is niet gebleken. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de Afdeling in haar uitspraak van 25 februari 2026 heeft bevestigd dat de verharding niet door de derde-partij maar door de vorige eigenaar van het perceel is aangebracht, op het moment dat voor het aanbrengen van de verharding nog geen vergunningplicht gold. Het betoog van eiser slaagt niet.
8. De rechtbank volgt eiser niet voor zover hij heeft betoogd dat hem in het bestreden besluit ten onrechte geen vergoeding is toegekend voor de kosten de hij redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van zijn bezwaar. Weliswaar heeft het college met het bestreden besluit de aanvankelijk verleende omgevingsvergunning ingetrokken en de vergunningaanvraag buiten behandeling gesteld, maar het college is geheel los en in weerwil van de bezwaargronden die door eiser zijn aangedragen tot dit besluit gekomen. Gelet op de motivering van het college om tot intrekking van de omgevingsvergunning over te gaan, is met het bestreden besluit niet tegemoetgekomen aan de bezwaren van eiser tegen deze vergunning. Onder die omstandigheden was het college naar het oordeel van de rechtbank niet gehouden om op grond van artikel 7:15, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht aan eiser een kostenvergoeding toe te kennen.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Omdat het beroep ongegrond is, krijgt eiser het door hem betaalde griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. de Winter, rechter, in aanwezigheid van
mr. Y. Al-Qaq, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.