ECLI:NL:RBDHA:2026:6295
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen schorsing WIA-uitkering wegens onvolledige medewerking
Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen het besluit van het UWV om zijn WIA-uitkering en toeslag te schorsen vanaf 1 februari 2026 wegens vermeende onvolledige medewerking. De voorzieningenrechter beoordeelt dit verzoek op grond van artikel 8:81 Awb Pro, waarbij alleen bij onverwijlde spoed een voorlopige voorziening kan worden getroffen.
Verzoeker stelt dat hij niet meer kan voorzien in zijn levensonderhoud en verwijst naar bankafschriften en een eerdere uitspraak van de Centrale Raad van Beroep. Het UWV betwist dat er sprake is van acute financiële nood. De voorzieningenrechter concludeert dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat er een acute financiële noodsituatie bestaat.
Omdat er geen spoedeisend belang is, wijst de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af zonder zitting. Deze beslissing is voorlopig van aard en bindt de rechtbank niet in een eventueel bodemgeding. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de schorsing van de WIA-uitkering wordt afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang.