Eiser verzocht het college van burgemeester en wethouders van Krimpenerwaard om handhavend op te treden tegen de verbouwing en het gebruik van een voormalige paardenstal op het perceel van een derde-partij. Het college wees dit verzoek af, waarna eiser bezwaar maakte en vervolgens beroep instelde bij de rechtbank.
De rechtbank overwoog dat het verzoek om handhaving was ingediend vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zodat het oude recht van toepassing bleef. De paardenstal staat op grond met de bestemming “Agrarisch met waarden” en het gebruik daarvan is niet in overeenstemming met deze bestemming. Echter, de rechtbank bevestigde haar eerdere oordeel van 9 juni 2022 dat handhaving in dit geval onevenredig zou zijn vanwege het evenredigheidsbeginsel en de beperkte zichtbaarheid van de paardenstal vanaf het perceel van eiser.
Eiser voerde geen nieuwe feiten of omstandigheden aan die aanleiding gaven tot een ander oordeel. Bovendien heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State het hoger beroep van eiser tegen de eerdere uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep daarom ongegrond en liet het bestreden besluit in stand. Eiser krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.