ECLI:NL:RBDHA:2026:6304

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 maart 2026
Publicatiedatum
23 maart 2026
Zaaknummer
24/9932
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:2 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring bezwaar omgevingsvergunning bouw schuur wegens gebrek aan belanghebbendheid

Eiser maakte bezwaar tegen de omgevingsvergunning die het college van burgemeester en wethouders van Krimpenerwaard verleende aan een derde-partij voor de bouw van een schuur op diens perceel. Het college verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat eiser geen belanghebbende zou zijn. Eiser betwistte dit en stelde dat hij wel degelijk belanghebbende is vanwege de nabijheid van zijn woning en het zicht op de schuur.

De rechtbank oordeelde dat eiser geen gevolgen van enige betekenis ondervindt van de bouw van de schuur. De afstand tussen de schuur en de woning van eiser bedraagt 80 tot 100 meter, en het zicht op de schuur is beperkt tot een klein deel van het dak, mede door bebouwing en begroeiing. Dit beperkte zicht en het ontbreken van andere hinder of milieugevolgen maken dat eiser onvoldoende persoonlijk belang heeft.

Daarnaast is het gebruik van de schuur gereguleerd door het Omgevingsplan, en is er geen afwijking verleend die het door eiser gevreesde gebruik toestaat. Ook het feit dat eiser in andere procedures wel als belanghebbende werd aangemerkt, leidt niet tot een ander oordeel in deze zaak, omdat belanghebbendheid per besluit moet worden beoordeeld.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waardoor het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen griffierecht of proceskosten vergoed. De uitspraak werd gedaan door rechter A.C. de Winter op 6 maart 2026.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard wegens gebrek aan belanghebbendheid, waardoor het bestreden besluit in stand blijft.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/9932

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van Krimpenerwaard, het college

(gemachtigden: mr. A.D. Bouwman en [gemachtigde]).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij] uit [woonplaats]

(gemachtigden: mr. S.F. Knoop en mr. B. Pietersz).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar van eiser tegen de omgevingsvergunning voor – voor zover hier van belang – de bouw van een schuur op het perceel van de derde-partij. Eiser is het daar niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser geen belanghebbende is bij de verleende omgevingsvergunning omdat hij geen gevolgen van enige betekenis ondervindt van de vergunde bouwactiviteit. Zijn bezwaar is daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Op 11 april 2024 heeft de derde-partij een omgevingsvergunning aangevraagd voor de sloop en heropbouw van een schuur op het perceel [adres 1] te [plaats]. Met het besluit van 10 juni 2024 heeft het college de derde-partij de gevraagde omgevingsvergunning verleend. Eiser heeft daartegen bezwaar gemaakt.
2.1.
Met het bestreden besluit van 11 november 2024 heeft het college het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 23 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser
,bijgestaan door mr. Scholten, de gemachtigden van het college, de derde-partij en zijn gemachtigden. Het beroep is gelijktijdig behandeld met de beroepen van eiser in de zaken 22/5464, 22/5468, 22/5470 en 22/5472. Ook in die zaken doet de rechtbank vandaag uitspraak.

Beoordeling door de rechtbank

Situatieschets
3. Eiser woont op [adres 2] in [plaats]. Zijn woning is gelegen aan een watergang die de erfafscheiding vormt tussen zijn perceel en het perceel van de derde-partij. De derde-partij is sinds 2015 eigenaar van het perceel [adres 1] (het perceel) en woont daar met zijn familie. Op het perceel was eerder een melkrundvee- en varkenshouderij gevestigd. Dat bedrijf is in 1995 beëindigd. De derde-partij heeft sinds de aankoop van het perceel verschillende werkzaamheden uitgevoerd op het perceel om onder meer de grond te saneren van de voormalige melkrundvee- en varkenshouderij. Tussen eiser en de derde-partij bestaat sindsdien onenigheid over het toegestane gebruik van de grond en opstallen op het perceel. Eiser heeft meerdere verzoeken om handhaving ingediend en meerdere omgevingsvergunningen voor activiteiten op het perceel aangevochten.
Het bestreden besluit
4. Het college heeft het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser geen belanghebbende is bij de omgevingsvergunning voor de schuur. Het college stelt zich op het standpunt dat eiser geen gevolgen van enige betekenis ondervindt van de vergunde activiteit. De te bouwen schuur ligt op circa 100 meter van de woning van eiser en er is bebouwing en begroeiing tussen de schuur en het perceel van eiser aanwezig, waardoor het zicht op de schuur voor eiser zeer beperkt is. Een gevoel van betrokkenheid bij de gang van zaken op het perceel, hoe sterk dat gevoel ook is, is niet voldoende om als belanghebbende te worden aangemerkt, aldus het college.
Is eiser belanghebbende bij de omgevingsvergunning?
5. Eiser is het niet eens met de niet-ontvankelijkverklaring van zijn bezwaar. Hij betoogt dat hij belanghebbende is bij de omgevingsvergunning voor de bouw van de schuur. Zijn perceel ligt volgens eiser op ongeveer 80 meter van de locatie van de schuur. Hij heeft vanuit zijn achtertuin zicht op het bouwwerk. De haag die voor de schuur staat, mag daar volgens eiser niet zijn omdat die niet gebiedseigen is en dus in strijd is met het bestemmingsplan. Eiser vindt het bestreden besluit ook willekeurig. Ten aanzien van andere bouwwerken en/of activiteiten op het perceel van de derde-partij, op grotere afstand tot zijn perceel, is volgens eiser wel direct gehandhaafd.
5.1.
In artikel 1:2, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Alleen wie een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang heeft dat rechtstreeks betrokken is bij het bestreden besluit, is belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.
5.2.
Wie rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit toestaat, is in beginsel belanghebbende bij dat besluit. Het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ van de activiteit is een correctie op dit uitgangspunt. Zonder gevolgen van enige betekenis heeft iemand geen persoonlijk belang bij het besluit. Hij onderscheidt zich dan onvoldoende van anderen. Om te bepalen of er gevolgen van enige betekenis voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van iemand zijn, zijn de relevante factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (o.a. geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico) van de activiteit die het besluit toestaat. Deze factoren worden zo nodig in onderlinge samenhang bekeken. Ook de aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn. Dit volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling). [1]
5.3.
Uit rechtspraak van de Afdeling volgt verder dat bewoners en eigenaren van een perceel dat grenst aan het perceel waarop het besluit ziet of dat met een aangrenzend perceel gelijk is te stellen, in beginsel belanghebbenden zijn. In dat geval wordt ervan uitgegaan dat feitelijke gevolgen, indien die zich voordoen, in beginsel van enige betekenis zijn. [2]
5.4.
In dit geval is sprake van aangrenzende percelen. Desondanks heeft het college eiser naar het oordeel van de rechtbank terecht niet als belanghebbende aangemerkt. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser geen gevolgen van enige betekenis ondervindt van de vergunde schuur. Niet in geschil is dat de afstand tussen de schuur en de woning van eiser tussen de 80 en 100 meter bedraagt. Aan de hand van ter zitting getoonde foto’s is inzichtelijk geworden dat het zicht van eiser vanaf zijn perceel, beperkt is tot een klein deel van de bovenkant van het dak van de schuur. Voor het overige wordt het zicht op de schuur (nog los van aanwezige begroeiing) weggenomen door het woonhuis van de derde-partij dat voor de schuur staat. Het zicht dat eiser op de schuur heeft is naar het oordeel van de rechtbank daarom van zeer geringe betekenis en te beperkt om hier belanghebbendheid aan te ontlenen. Daarnaast is niet gebleken dat eiser, afgezien van dit zeer beperkte zicht, op een andere manier hinder of anderszins gevolgen van enige betekenis ondervindt van de aanwezigheid van de schuur.
5.5.
Voor zover eiser ter zitting heeft gesteld dat hij vreest voor toekomstig strijdig gebruik van de schuur, overweegt de rechtbank dat het gebruik van de schuur wordt gereguleerd door het Omgevingsplan van Krimpenerwaard. Met de verleende omgevingsvergunning is niet van het Omgevingsplan afgeweken, zodat hiermee geen toestemming is gegeven voor het door eiser gevreesde gebruik van de schuur.
5.6.
De rechtbank overweegt tot slot dat, voor zover eiser ter zitting heeft gesteld dat hij met name bezwaar heeft tegen het geheel aan bouwwerken en activiteiten op het perceel van de derde-partij, eiser daaraan geen belanghebbendheid kan aan ontlenen in deze procedure. Deze procedure is beperkt tot de omgevingsvergunning voor de schuur en heeft geen betrekking op andere bouwwerken en activiteiten op het perceel. Dat eiser eerder in andere procedures door het college wél als belanghebbende is aangemerkt, leidt niet tot een ander oordeel. Of eiser belanghebbende is bij een besluit met betrekking tot bouwwerken en/of activiteiten op het perceel van de derde-partij, dient per geval te worden beoordeeld aan de hand van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb en de hierover gevormde rechtspraak.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Omdat het beroep ongegrond is, krijgt eiser het door hem betaalde griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. de Winter, rechter, in aanwezigheid van
mr. Y. Al-Qaq, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Bijvoorbeeld de uitspraak van 30 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3521 en de uitspraak van 10 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5996.
2.Bijvoorbeeld de uitspraak van 15 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1671.