Eiser maakte bezwaar tegen de omgevingsvergunning die het college van burgemeester en wethouders van Krimpenerwaard verleende aan een derde-partij voor de bouw van een schuur op diens perceel. Het college verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat eiser geen belanghebbende zou zijn. Eiser betwistte dit en stelde dat hij wel degelijk belanghebbende is vanwege de nabijheid van zijn woning en het zicht op de schuur.
De rechtbank oordeelde dat eiser geen gevolgen van enige betekenis ondervindt van de bouw van de schuur. De afstand tussen de schuur en de woning van eiser bedraagt 80 tot 100 meter, en het zicht op de schuur is beperkt tot een klein deel van het dak, mede door bebouwing en begroeiing. Dit beperkte zicht en het ontbreken van andere hinder of milieugevolgen maken dat eiser onvoldoende persoonlijk belang heeft.
Daarnaast is het gebruik van de schuur gereguleerd door het Omgevingsplan, en is er geen afwijking verleend die het door eiser gevreesde gebruik toestaat. Ook het feit dat eiser in andere procedures wel als belanghebbende werd aangemerkt, leidt niet tot een ander oordeel in deze zaak, omdat belanghebbendheid per besluit moet worden beoordeeld.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waardoor het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen griffierecht of proceskosten vergoed. De uitspraak werd gedaan door rechter A.C. de Winter op 6 maart 2026.