ECLI:NL:RBDHA:2026:6432

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 maart 2026
Publicatiedatum
24 maart 2026
Zaaknummer
NL25.37043
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen weigering verblijfsvergunning wegens ontbreken beschermwaardig privéleven

Eiser heeft op 8 november 2023 een aanvraag ingediend voor een reguliere verblijfsvergunning, waarbij hij zich beroept op het recht op bescherming van zijn privéleven zoals bedoeld in artikel 8 EVRM Pro. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat eiser niet beschikte over de wettelijk vereiste machtiging tot voorlopig verblijf en niet aannemelijk was dat uitzetting naar Ghana in strijd zou zijn met artikel 8 EVRM Pro.

De rechtbank overweegt dat eiser geen concrete informatie heeft verstrekt over zijn actuele privéleven in Nederland ten tijde van de aanvraag, waardoor niet kon worden vastgesteld dat sprake is van een beschermwaardig privéleven. Eiser heeft ook in bezwaar geen relevante gegevens aangeleverd die tot een andere uitkomst konden leiden. De rechtbank wijst het beroep af omdat de in beroep overgelegde informatie en steunverklaringen niet als nadere onderbouwing van het eerdere standpunt kunnen worden gezien.

Verder is het terugkeerbesluit van 1 juni 2012 nog steeds van kracht en is het niet disproportioneel om daaraan vast te houden, mede omdat eiser herhaaldelijk is gemaand te vertrekken en niet heeft onderbouwd waarom hij niet aan de vertrekplicht kan voldoen. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.37043
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. M.B. van den Toorn-Volkers),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
(gemachtigde: mr. L.S. Hartog).

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 15 juli 2025 waarbij het bezwaar van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een reguliere verblijfsvergunning ongegrond is verklaard.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 19 maart 2026 op zitting behandeld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. Eiser heeft op 8 november 2023 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning. Daarbij heeft hij gewezen op het recht op bescherming van zijn privéleven zoals bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM. [1] Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat eiser niet beschikt over de wettelijk voorgeschreven machtiging tot voorlopig verblijf en niet is gebleken dat uitzetting naar zijn land van herkomst, Ghana, in strijd is met artikel 8 van Pro het EVRM.
2. Zoals verweerder in het bestreden besluit heeft opgemerkt, heeft eiser geen informatie verstrekt over zijn actuele privéleven in Nederland ten tijde van zijn aanvraag. Verweerder heeft hier terecht de conclusie aan verbonden dat dan niet kan worden vastgesteld dat is gebleken van een beschermenswaardig privéleven. Het is namelijk aan een aanvrager om het bestuursorgaan de gegevens te verschaffen die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover die aanvrager redelijkerwijs kan beschikken. Daarnaast heeft verweerder nog gewezen op zijn besluit van 8 juni 2022, waarin hij eerder heeft vastgesteld dat niet is gebleken dat eiser in Nederland een privéleven heeft dat wordt beschermd door artikel 8 van Pro het EVRM.
3. De stelling in beroep van eisers gemachtigde dat verweerder ervan uit moet gaan dat eiser in Nederland is geworteld omdat hij sinds 1991 in Nederland verblijft en bekend is bij verweerder, doet aan verweerders motivering niet af en leidt dan ook niet tot een geslaagd beroep. Daarbij kan eiser niet worden gevolgd in zijn standpunt dat hij op zijn bezwaar had moeten worden gehoord. Doordat eiser ook in bezwaar geen concrete informatie heeft verstrekt over zijn leven in Nederland op dit moment, was onmiddellijk duidelijk dat het bezwaar niet tot een andere uitkomst kon leiden.
4. Voor zover eiser in bezwaar alsnog enige informatie heeft verstrekt en steunverklaringen van derden heeft overgelegd, leidt dat niet tot een gegrond beroep. De bestuursrechter moet zijn oordeel over het bestreden besluit namelijk baseren op de feiten en omstandigheden zoals die zich voor hebben gedaan op het moment van dat besluit. Niet valt in te zien dat de in beroep overgelegde informatie en documenten niet eerder konden worden verstrekt. Eiser is immers herhaalde malen gewezen op de noodzaak om zijn aanvraag te onderbouwen. Nu in de besluitvormingsfase iedere informatie ontbrak, kan een en ander niet worden aangemerkt als een nadere onderbouwing van een eerder ingenomen standpunt.
5. Verweerder heeft verder terecht verwezen naar het terugkeerbesluit van 1 juni 2012. Dat besluit staat in rechte vast en is nog altijd van kracht omdat eiser daar geen gevolg aan heeft gegeven. De rechtbank volgt niet dat het disproportioneel moet worden geacht om aan dit terugkeerbesluit vast te houden. Het enkele verstrijken van tijd is hiervoor onvoldoende, zeker omdat eiser in de loop der tijd vele malen is gemaand om te vertrekken. Eiser heeft niet onderbouwd dat hij geen gevolg kan geven aan zijn vertrekplicht.
6. Gelet op het voorgaande heeft verweerder het bezwaar tegen de afwijzing van de aanvraag terecht ongegrond verklaard. Het beroep is ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan in het openbaar op 19 maart 2026 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes, griffier, en het proces-verbaal daarvan is openbaar gemaakt doormiddel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.

Voetnoten

1.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.