ECLI:NL:RBDHA:2026:6443

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
24 maart 2026
Zaaknummer
AWB 24/13330
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 14 EVRMArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing mvv-aanvraag wegens discriminatie inburgeringsvereiste

Eiseres, van Marokkaanse nationaliteit en woonachtig in Suriname, vroeg een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) aan als familie- of gezinslid van haar Nederlandse echtgenoot. Verweerder wees de aanvraag af omdat eiseres niet voldeed aan het inburgeringsvereiste en geen ontheffing kreeg. De rechtbank oordeelt dat verweerder zorgvuldig en gemotiveerd heeft vastgesteld dat eiseres onvoldoende inspanningen heeft geleverd om te slagen voor het inburgeringsexamen.

Echter, de rechtbank volgt eiseres in haar standpunt dat het onderscheid op grond van het inburgeringsvereiste tussen derdelanders discriminatoir is, omdat er geen 'very weighty reasons' zijn die dit onderscheid rechtvaardigen. De rechtbank verwijst naar een eerdere uitspraak van de meervoudige kamer die dit bevestigt.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt de minister op binnen acht weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres.

Uitkomst: Het bestreden besluit tot afwijzing van de mvv-aanvraag wordt vernietigd wegens discriminatie en de minister moet een nieuw besluit nemen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 24/13330
V-nummer: [v nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 maart 2026 in de zaak tussen

[eiseres] ,

geboren op [geboortedag] 1977, van Marokkaanse nationaliteit, eiseres
(gemachtigde: mr. W. Hoebba),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. V.J.C.M. Tielemans).

Inleiding

1. Bij besluit van 14 november 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van 5 juni 2023 van eiseres om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor het doel ‘Verblijf als familie- of gezinslid bij [persoon] (referent)’ afgewezen.
1.1.
Met het bestreden besluit van 30 juli 2024 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
1.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 5 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, referent en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Besluitvorming
2. Eiseres is geboren op [geboortedag] 1977 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Referent is de echtgenoot van eiseres en heeft de Nederlandse nationaliteit. Eiseres woont in Suriname en referent woont in Nederland.
3. In het primaire besluit, gehandhaafd in het bestreden besluit, heeft verweerder de aanvraag van eiseres afgewezen. Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiseres niet aan het inburgeringsvereiste voldoet en niet voor vrijstelling daarvan in aanmerking komt. Verweerder heeft een belangenafweging in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM [1] gemaakt, waarvan de conclusie is dat het algemeen belang van de Nederlandse overheid zwaarder weegt dan het persoonlijke belang van eiseres en referent. Het gezinsleven van referent en eiseres is daarom geen reden om alsnog een verblijfsvergunning toe te kennen aan eiseres.
Beoordeling door de rechtbank
4. Eiseres stelt zich op het standpunt dat ten aanzien van het inburgeringsvereiste ten onrechte onderscheid wordt gemaakt tussen derdelanders uit landen die zijn vrijgesteld van het inburgeringsvereiste en andere derdelanders. Dit onderscheid is in strijd met het discriminatieverbod van artikel 14 van Pro het EVRM. Volgens eiseres is er geen sprake van ‘very weighty reasons’ die het onderscheid rechtvaardigen. In dit verband kan ook relevant zijn dat er tussen eiseres en haar echtgenoot sprake is van family-life in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM. Daarnaast stelt eiseres dat zij zich voldoende heeft ingespannen om het inburgeringsexamen met succes af te ronden. Verweerder dient deugdelijk te motiveren waarom de door eiseres overgelegde bewijzen niet toereikend zijn om de door haar gedane inspanningen aan te tonen. Ook hecht verweerder ten onrechte geen waarde aan het feit dat eiseres driemaal het examen heeft afgelegd. Zij heeft er dus alles aan gedaan om aan het inburgeringsvereiste te voldoen. Eiseres en referent menen verder dat ten onrechte is afgezien van het horen in het kader van de bezwaarprocedure.
5. Op de zitting is met partijen besproken dat de Afdeling [2] op 11 juni 2025 [3] een prejudiciële vraag heeft gesteld over het onderscheid naar nationaliteit ten aanzien van het inburgeringsvereiste en de mogelijke strijdigheid daarvan met het verbod op discriminatie. Omdat nog niet bekend is wanneer een antwoord op deze vraag wordt verwacht en eiseres heeft aangegeven graag snel duidelijkheid te willen, zal de rechtbank eerst ingaan op de beroepsgrond over de ontheffing van het inburgeringsvereiste. Immers, als aan eiseres een ontheffing wordt verleend, is de beroepsgrond die ziet op het inburgeringsvereiste in het algemeen, voor eiseres niet meer van belang.
Ontheffing van het inburgeringsvereiste
6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende zorgvuldig en voldoende gemotiveerd tot de conclusie is gekomen dat eiseres niet in aanmerking komt voor ontheffing van het inburgeringsvereiste. Eiseres heeft met de overgelegde stukken namelijk niet aangetoond dat zij zich voldoende heeft ingespannen om te slagen voor het inburgeringsexamen. Het is aan eiseres om haar inspanningen aannemelijk te maken. Eiseres heeft aangevoerd dat zij voorafgaand aan de drie afgelegde examens heeft gestudeerd door middel van het kijken van YouTube-filmpjes en met behulp van referent via de telefoon. De internetverbinding in de woning van eiseres is slecht en ook is sprake van analfabetisme. Hierdoor heeft eiseres moeite met studeren. Eiseres heeft verder een certificaat van Smart Teaching van 5 maart 2024 overgelegd waarop staat dat zij een cursus Algemeen Nederlands – Starter A1van 300 uur heeft gevolgd. Verweerder heeft eiseres tegengeworpen dat dit certificaat summier is omdat geen informatie wordt gegeven over de inhoud en frequentie van de cursus. Ook heeft verweerder aangevoerd dat alleen uitslagen van examens van 2022 en 2023 zijn overgelegd, terwijl de cursus in 2024 zou zijn afgerond.
7. De rechtbank volgt verweerder in de stelling dat van eiseres mag worden verwacht dat zij na het afronden van de cursus het examen nogmaals aflegt en daarmee laat zien wat zij tijdens de cursus heeft geleerd en of dit van invloed is op de behaalde cijfers. Referent heeft op de zitting gesteld dat eiseres wel degelijk een vierde examen heeft afgelegd na het behalen van het certificaat, maar deze stelling is niet onderbouwd. De rechtbank ziet in de overgelegde stukken onvoldoende aanleiding om te oordelen dat verweerder eiseres had moeten ontheffen van de plicht om te slagen voor het examen. Uit de overgelegde informatie blijkt niet welke inspanningen eiseres heeft verricht, en hoeveel tijd zij daarmee kwijt was. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Het verbod op discriminatie
8. De rechtbank overweegt met betrekking tot de beroepsgrond over het verbod op discriminatie als volgt. Ten aanzien van de afwijzing van een aanvraag voor een mvv, enkel op grond van het inburgeringsvereiste, heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats in de uitspraak van 16 april 2024 [4] overwogen dat een dergelijk besluit discriminatoir is. De rechtbank heeft in die uitspraak geoordeeld dat niet gebleken is van ‘very weighty reasons’ die het onderscheid op grond van nationaliteit kunnen dragen.
9. Gelet op bovengenoemde uitspraak is de rechtbank met eiseres van oordeel dat het bestreden besluit geen stand kan houden. De gemachtigde van verweerder heeft op de zitting ook geen argumenten aangevoerd waaruit zou blijken dat in deze zaak anders geoordeeld zou moeten worden op dit punt. Deze beroepsgrond slaagt. Het beroep is dus gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt de minister op om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor acht weken.
Artikel 8 van Pro het EVRM en de hoorplicht
10. Omdat het beroep reeds gegrond is komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling van de beroepsgronden over artikel 8 van Pro het EVRM en de hoorplicht.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor acht weken.
11.1.
Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 30 juli 2024;
- draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 187,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.D. Arnold, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.A.H. Gonera, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden.
2.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
3.Zie de uitspraak van Afdeling van 11 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2628.