Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:6447

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 maart 2026
Publicatiedatum
25 maart 2026
Zaaknummer
NL26.12382
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b VreemdelingenbesluitArt. 28 Wet beëdigde tolken en vertalersBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling maatregel van bewaring vreemdeling ondanks gebrek aan beëdigde tolk

Eiser, een Indiase vreemdeling, is op 28 februari 2026 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 vanwege risico op onttrekking aan toezicht. Eiser betwistte de maatregel en voerde onder meer aan dat het terugkeerbesluit niet rechtmatig was en dat tijdens het gehoor geen beëdigde tolk Hindi werd gebruikt, wat in strijd zou zijn met artikel 28 van Pro de Wet beëdigde tolken en vertalers (Wbtv).

De rechtbank oordeelde dat de bewaringsrechter niet over de rechtmatigheid van het terugkeerbesluit mag oordelen, maar alleen moet toetsen of een dergelijk besluit aanwezig is waarop de maatregel kan worden gebaseerd. Dit was het geval. Hoewel verweerder niet had gemotiveerd waarom geen beëdigde tolk werd ingezet, achtte de rechtbank het gebrek niet ernstig genoeg om de maatregel onrechtmatig te verklaren, mede omdat uit het proces-verbaal bleek dat eiser de tolk goed verstond en geen communicatieproblemen waren.

Verder werden enkele zware en lichte gronden voor de maatregel niet bestreden en voldoende geacht om het risico op onttrekking aan toezicht te onderbouwen. De rechtbank vond ook dat verweerder voldoende voortvarend handelde in het terugkeerproces. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Wel werd verweerder veroordeeld tot betaling van de proceskosten van €1.868,- aan de rechtsbijstandverlener van eiser.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard ondanks een gebrek aan motivering voor het gebruik van een niet-beëdigde tolk.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.12382

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. M.I. Vennik),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

(gemachtigde: mr. J.A. Herlaar).

Procesverloop

Bij besluit van 28 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 12 maart 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen V. Sharma. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt de Indiase nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] 1973.
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. De gemachtigde van eiser voert aan dat een rechtmatig terugkeerbesluit ten grondslag moet worden gelegd aan de maatregel. In het terugkeerbesluit heeft verweerder ook geen motivering opgenomen omtrent eisers privé- en gezinsleven. In het proces-verbaal van gehoor is opgenomen dat eiser is gehoord met een beëdigde tolk Hindi, maar in het M110 gehoor is geen gebruik gemaakt van een beëdigde tolk Hindi. Verweerder heeft niet gemotiveerd waarom er tijdens dit gehoor geen gebruik is gemaakt van een beëdigde tolk. Hiermee heeft verweerder gehandeld in strijd met artikel 28 van Pro de Wet beëdigde tolken en vertalers (Wbtv). Verder worden de zware en lichte gronden die ten grondslag liggen aan de maatregel betwist. Tot slot blijkt uit het dossier niet welke uitzettingshandelingen verweerder heeft verricht. Niet gecontroleerd kan worden of verweerder voldoende voortvarend handelt.
4. De rechtbank overweegt het volgende.
5. De bewaringsrechter die niet ook terugkeerbesluitrechter is, mag niet over de rechtmatigheid van het terugkeerbesluit oordelen. Alleen de vraag of er een terugkeerbesluit voorligt waarop de maatregel kan worden gebaseerd, mag de bewaringsrechter bij de beoordeling van het beroep tegen de bewaringsmaatregel betrekken. Dit komt erop neer dat de bewaringsrechter controleert of het terugkeerbesluit voldoet aan de specifieke eisen die hiervoor worden gesteld [1] . De rechtbank stelt vast dat het terugkeerbesluit - dat aan eiser is uitgereikt - aan de daarvoor gestelde eisen voldoet en dat de maatregel (en de voortduring daarvan) daarop kon worden gebaseerd. Eventuele gronden tegen het terugkeerbesluit kan eiser naar voren brengen in de procedure tegen het terugkeerbesluit.
6. Op grond van artikel 28 van Pro de Wbtv maakt verweerder uitsluitend gebruik van beëdigde tolken of vertalers. Op grond van het derde lid kan, in afwijking van het eerste lid, gebruik worden gemaakt van een tolk die niet beëdigd is indien wegens de vereiste spoed een ingeschrevene in het register niet tijdig beschikbaar is óf indien het register voor de desbetreffende bron- of doeltaal geen ingeschrevene bevat. Als van het gebruik van een beëdigde tolk wordt afgezien, dan moet dit op grond van het vierde lid met redenen omkleed schriftelijk worden vastgesteld.
6.1.
Uit de uitspraken van de hoogste bestuursrechter van 19 februari 2014 en 29 april 2019 [2] volgt dat artikel 28, derde en vierde lid, van de Wbtv wat betreft de motivering geen andere eis stelt dan dat verweerder de reden voor het gebruikmaken van een niet-beëdigde tolk uiterlijk in het besluit schriftelijk vastlegt en dat deze redenen één van de in het derde lid vermelde redenen moet zijn. Verweerder moet dan toelichten waarom geen beëdigde tolk beschikbaar was, zodat de rechtbank desgewenst kan nagaan of hij zich heeft gehouden aan de in artikel 28 van Pro de Wbtv voor die situatie geldende voorwaarde.
6.2.
Verweerder heeft in het opgemaakte proces-verbaal van gehoor noch in het besluit van 28 februari 2026 nader toegelicht waarom in dit geval geen gebruik is gemaakt van een beëdigde tolk. Het voorgaande betekent dat aan de maatregel van inbewaringstelling een gebrek kleeft. Dit betekent echter niet zonder meer dat de maatregel van bewaring daarom onrechtmatig is. De maatregel is pas onrechtmatig als de met de bewaring gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen. De rechtbank is van oordeel dat daar in dit geval geen sprake van is. Dat oordeel motiveert de rechtbank als volgt.
6.3.
Uit het proces-verbaal van gehoor voorafgaand aan de oplegging van de maatregel blijkt niet dat eiser de tolk niet goed heeft verstaan of begrepen, of dat hij zijn verklaringen niet goed naar voren heeft kunnen brengen. Niet blijkt dat sprake is geweest van communicatieproblemen tussen eiser en de tolk. De antwoorden van eiser geven er ook geen blijk van dat hem als gevolg daarvan de mogelijkheid is ontnomen om zijn zienswijze te geven op de maatregel van bewaring. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser ook niet nader onderbouwd wat eiser eventueel nog meer had willen aanvoeren in het gehoor. Daarnaast is van belang dat er meerdere gronden zijn die door verweerder terecht aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd waarmee het risico op onttrekking aan het toezicht is onderbouwd. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de met de maatregel gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek.
7. De rechtbank stelt vast dat de zware grond onder 3b, en de lichte gronden onder 4a en 4d niet zijn bestreden. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen deze gronden en de daarop gegeven motivering van verweerder de maatregel dragen, nu deze gronden al voldoende zijn om ten aanzien van eiser het risico op onttrekking aan het vreemdelingentoezicht aan te nemen. Gelet hierop hoeven de overige door eiser bestreden gronden geen bespreking meer.
8. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan de verwijdering uit Nederland. Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat op 5 maart 2026 een vertrekgesprek heeft plaatsgevonden, op 6 maart 2026 is de laissez-passer-aanvraag afgerond en op 9 maart 2026 is de aanvraag per post naar de autoriteiten van India gestuurd.
9. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is [3] , ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is geweest of op dit moment onrechtmatig voortduurt.
10. Desgevraagd heeft verweerder meegedeeld dat er voldoende gevolg is gegeven aan de Adrar-toets [4] . In de maatregel is opgenomen dat terugkeer naar India geen problemen oplevert. Verweerder verwijst naar rechtsoverweging 15.1 van die uitspraak. Eiser heeft in het gehoor ook aangegeven dat India een veilig land van herkomst is, maar dat hij graag in Nederland een bestaan wil opbouwen. Ook hierin ziet de rechtbank geen aanleiding voor een gegrond beroep.
11. Het beroep wordt ongegrond verklaard. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
12. De rechtbank ziet in het onder rechtsoverweging 6.2. geconstateerde gebrek wel aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten die eiser in verband met zijn beroep heeft gemaakt. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 93,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, rechter, in aanwezigheid van
N. Mekenkamp, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 12 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4578.
2.Zie de uitspraken van de Afdeling van 19 februari 2014, ECLI:N:RVS:2014:600 en van 29 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1395.
3.Zie de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 en de uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:329.
4.Zie de uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:329.