ECLI:NL:RBDHA:2026:6487

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
25 maart 2026
Zaaknummer
NL26.8633 en NL26.8634
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
  • J. J. P. Bosman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Frankrijk

In deze bestuursrechtelijke zaak heeft eiser beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen. De minister baseerde dit besluit op de verantwoordelijkheid van Frankrijk voor de behandeling van de aanvraag.

Eiser voerde aan dat het besluit onzorgvuldig en onvoldoende gemotiveerd was, en dat zijn medische omstandigheden nader onderzoek vereisten. Tevens stelde hij dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet van toepassing zou zijn op Frankrijk. De rechtbank oordeelde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel wel van toepassing is, zoals bevestigd door jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De rechtbank vond de medische onderbouwing onvoldoende, aangezien alleen een niet vertaald medisch document was overgelegd. Er was geen sprake van bijzondere omstandigheden die een overdracht aan Frankrijk zouden verhinderen. Frankrijk beschikt over vergelijkbare medische voorzieningen en eiser kon zich bij problemen tot Franse autoriteiten wenden.

Daarom verklaarde de rechtbank het beroep kennelijk ongegrond en wees het verzoek om een voorlopige voorziening af als niet-ontvankelijk. Eiser kreeg geen proceskostenvergoeding. De uitspraak werd gedaan door de voorzieningenrechter J. J. P. Bosman op 25 maart 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.8633 en NL26.8634
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. Z.M. Alaca),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 13 februari 2026 niet in behandeling genomen, omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag.

Beoordeling door de rechtbank

Geen zitting
2. De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting. Het beroep is namelijk kennelijk ongegrond. [1] Hieronder legt de rechtbank dit uit.
Waar gaat deze zaak over?
3. Eiseres stelt de Jemenitische nationaliteit te hebben en op [geboortedatum] 1998 te zijn geboren. Verweerder heeft de asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Frankrijk verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is niet eens met het bestreden besluit en is van oordeel dat deze onzorgvuldig tot stand is gekomen en onvoldoende is gemotiveerd. Eiser stelt dat zijn medische omstandigheden bij overdracht aan Frankrijk tot een reëel risico op een aanzienlijke en onomkeerbare verslechtering van zijn gezondheid leidt. Volgens eiser rust op verweerder de plicht om nader onderzoek te verrichten naar eisers medische situatie. Tot slot stelt eiser dat ten aanzien van Frankrijk niet mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder ten aanzien van Frankrijk nog altijd mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit volgt uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. [2] Wat betreft de gestelde medische omstandigheden, heeft eiser enkel een niet vertaald medisch stuk overlegd. Dit acht de rechtbank onvoldoende voor de onderbouwing van eisers medische situatie.
6. De rechtbank oordeelt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een bijzondere, individuele omstandigheid die maakt dat moet worden afgezien van overdracht aan Frankrijk wegens een onevenredige hardheid. Niet is gebleken dat Nederland het aangewezen land is om eiser te behandelen, nu Frankrijk vergelijkbare medische voorzieningen kent als Nederland. Mocht eiser in Frankrijk problemen ervaren, dan dient hij zich hiervoor te wenden tot de (hogere) Franse autoriteiten. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit voor hem niet mogelijk is of dat de Franse autoriteiten hem niet zouden kunnen of willen helpen. Het bestreden besluit is voldoende zorgvuldig tot stand gekomen en voldoende gemotiveerd.

Conclusie en gevolgen

7. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank twijfelt hier niet over. Daarom is het beroep kennelijk ongegrond.
8. Nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit [3] , wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.
9. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. J. P. Bosman, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van M. Ramdihal, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak op het beroep, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 8:54, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Zie de uitspraken van 31 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3623 en 7 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3724.
3.Op grond van artikel 8:81 en Pro 8:83, derde lid, van de Awb.