ECLI:NL:RBDHA:2026:652

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 januari 2026
Publicatiedatum
16 januari 2026
Zaaknummer
NL25.37822
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet tijdig nemen van besluit inzake gezinshereniging

In deze zaak heeft eiseres, vertegenwoordigd door mr. H. Postma, beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door de minister van Asiel en Migratie, vertegenwoordigd door mr. M. Banwari, inzake de aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf voor gezinshereniging. De gezinsleden van eiseres hebben eerder op 6 februari 2025 beroep ingesteld, dat door de rechtbank op 20 maart 2025 gegrond werd verklaard. De rechtbank heeft verweerder opgedragen om binnen acht weken een besluit te nemen. Eiseres heeft op 13 augustus 2025 opnieuw beroep ingesteld, omdat verweerder wederom geen besluit had genomen. De rechtbank heeft geoordeeld dat het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond is, aangezien de wettelijke beslistermijn is overschreden. De rechtbank heeft verweerder opgedragen om binnen twee weken na de uitspraak een besluit te nemen en heeft een dwangsom van € 200 per dag opgelegd voor elke dag dat deze termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000. Tevens is verweerder veroordeeld in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 467.

Uitspraak

Uitspraak buiten zitting

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL25.37822
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. H. Postma), en
de minister van Asiel en Migratie,1 verweerder (gemachtigde: mr. M. Banwari).

Procesverloop

Gezinsleden van eiseres hebben op 6 februari 2025 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van gezinshereniging voor verblijf bij [referent] (referent).
Bij uitspraak van 20 maart 2025 heeft deze rechtbank en zittingsplaats het beroep van 6 februari 2025 gegrond verklaard en daarbij verweerder opgedragen om binnen een termijn van acht weken na de dag van verzending van de uitspraak een besluit op de aanvraag bekend te maken. Indien binnen die termijn zou worden besloten dat nader onderzoek moet plaatsvinden en dat aan de gezinsleden schriftelijk is meegedeeld, dan moest het besluit binnen twintig weken na de dag van verzending van de uitspraak bekend worden gemaakt (ECLI:NL:RBDHA:2025:4686).
Op 13 augustus 2025 heeft eiseres opnieuw beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
1 Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Overwegingen

1. Eiseres heeft verzocht om vrijstelling van de betaling van het griffierecht voor de behandeling van haar beroep wegens betalingsonmacht. Met het overgelegde formulier is voldoende aannemelijk gemaakt dat wordt voldaan aan de voorwaarden voor vrijstelling. Het verzoek om vrijstelling van het griffierecht wordt definitief toegewezen.
2. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de aanvraag van eiseres – respectievelijk de moeder van referent – voor gezinshereniging met referent samenhangt met de aanvraag van de gezinsleden van eiseres – respectievelijk de echtgenoot en kinderen van referent – voor gezinshereniging met referent. De rechtbank gaat daarom uit van samenhang tussen de aanvragen en merkt op dat eventuele toekomstige beroepen gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit die worden ingesteld door één van de gezinsleden van referent dan wel referent zelf betrekking hebben op beide aanvragen. De gezinsleden van eiseres hebben eerder beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit. De rechtbank kwalificeert daarom het onderhavige beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit als een opvolgend beroep.
3. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat wanneer de wettelijke termijn voor het nemen van een besluit is verstreken, in beginsel een ingebrekestelling is vereist in het geval dat tegen het niet tijdig nemen van een besluit (voor de eerste keer) beroep wordt ingesteld bij de bestuursrechter.2 Uit deze jurisprudentie volgt ook dat wanneer de bestuursrechter een termijn heeft gesteld en het bestuursorgaan zich niet aan deze termijn houdt, een nieuwe ingebrekestelling niet is vereist.
4. In haar uitspraak van 20 maart 2025 heeft de rechtbank het eerste beroep van de gezinsleden van eiseres tegen het niet tijdig beslissen gegrond verklaard en verweerder opgedragen om binnen een termijn van acht weken na de dag van verzending van de uitspraak een besluit op de aanvraag bekend te maken. Indien binnen die termijn zou worden besloten dat nader onderzoek moet plaatsvinden en dat aan de gezinsleden schriftelijk is meegedeeld, dan moest het besluit binnen twintig weken na de dag van verzending van de uitspraak bekend worden gemaakt Ook heeft de rechtbank in die uitspraak bepaald dat verweerder aan de gezinsleden van eiseres een dwangsom van € 100 moet betalen voor elke dag waarmee hij deze termijn overschrijdt, met een maximum van
€ 15.000.
5. Eiseres heeft het tweede beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit ingesteld op 13 augustus 2025. Verweerder heeft nog altijd geen besluit genomen op de aanvraag. Dit betekent dat het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond is.
6. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van de in artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb genoemde beslistermijn van twee weken waarbinnen verweerder een besluit bekend dient te maken. De rechtbank heeft in haar eerste uitspraak op het beroep al een redelijke nadere beslistermijn gesteld. Daar komt bij dat sinds het vollopen van de rechterlijke dwangsom wederom geruime tijd is verstreken en verweerder nog geen besluit op de aanvraag heeft genomen. De rechtbank draagt verweerder daarom op om binnen twee
2 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 8 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:673.
weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag te nemen.
7. Op grond van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb bepaalt de rechtbank dat verweerder een dwangsom van € 200 aan eiseres verbeurt voor elke dag waarmee deze termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000. De rechtbank merkt in dat verband op dat uit de eerder aan verweerder opgelegde dwangsom vooralsnog een onvoldoende prikkel is gebleken, nu een besluit op de aanvraag is uitgebleven.
8. In de gegrondverklaring van het beroep ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. De proceskosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 467, bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 0,5 (licht). De rechtbank is van oordeel dat de wegingsfactor ‘licht’ van toepassing is aangezien het beroep alleen ziet op het niet tijdig nemen van een besluit.

Beslissing

De rechtbank:
 verklaart het beroep gegrond;
 vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
 draagt verweerder op om binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit op de aanvraag bekend te maken;
 bepaalt dat verweerder wegens het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag, aan eiseres een dwangsom van € 200 (tweehonderd euro) moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van
€ 15.000 (vijftienduizend euro);
 veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 467 (vierhonderdzevenenzestig euro).
Deze uitspraak is gedaan op 15 januari 2026 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. R. de Mul, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.