ECLI:NL:RBDHA:2026:6568

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 maart 2026
Publicatiedatum
26 maart 2026
Zaaknummer
NL26.2972
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 42 Vw 2000Art. 34 Dublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens te vroege ingebrekestelling bij niet tijdig beslissen verblijfsvergunning asiel

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister ontving de aanvraag op 27 juni 2025 en moest binnen zes maanden beslissen, waarbij de termijn pas begon te lopen vanaf 27 augustus 2025 vanwege onderzoek in het kader van de Dublinverordening.

Eiser stelde de minister op 30 december 2025 in gebreke, maar de rechtbank oordeelt dat deze ingebrekestelling te vroeg was omdat de beslistermijn op dat moment nog niet was verstreken. Hierdoor is het beroep niet-ontvankelijk verklaard.

De rechtbank vond het niet nodig om partijen te horen in een zitting en wees het beroep af zonder proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter R.J.A. Schaaf en griffier N.B. Yalcinkaya op 20 maart 2026.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens te vroege ingebrekestelling.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.2972
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. M.A. Krikke),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingediend, omdat de minister volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (hierna: aanvraag).

Overwegingen

1. De rechtbank vindt het in deze zaak niet nodig om partijen uit te nodigen voor een zitting.1
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd op een aanvraag beslist, dan kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog moet worden beslist op zijn aanvraag (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen.2
Is het beroep van eiser ontvankelijk?
3. De minister heeft de aanvraag op 27 juni 2025 ontvangen. De minister moet uiterlijk binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag beslissen.3 Indien onderzoek plaatsvindt in het kader van de Dublinverordening vangt die termijn aan op het tijdstip waarop overeenkomstig de Dublinverordening wordt vastgesteld dat Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek.4
1. Artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2 Artikel 6:2, onder b, en 6:12, tweede lid, van de Awb.
3 Artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Aanvankelijk heeft de minister de beslistermijn onder toepassing van WBV 2025/4 met negen maanden verlengd. De minister heeft deze WBV echter weer ingetrokken (IB 2025/28). Als gevolg hiervan geldt voor alle asielaanvragen die zijn ingediend vanaf 1 januari 2025 weer een beslistermijn van zes maanden.
4 Artikel 42, zesde lid, van de Vw 2000.
4. Onder bepaalde omstandigheden mag de minister artikel 42, zesde lid, van de Vw 2000 ook toepassen in de situatie dat de minister in de claimfase onderzoek verricht naar de toepassing van de Dublinverordening, maar uiteindelijk afziet van het leggen van een claim op een andere lidstaat.5 Dat onderzoek moet meer omvatten dan enkel een onderzoek in Eurodac naar de vingerafdrukken van de vreemdeling.
5. In het geval van eiser heeft in de claimfase onderzoek plaatsgevonden naar de toepassing van de Dublinverordening. De minister heeft, voordat hij besloot geen claimverzoek in te dienen, niet alleen onderzoek in Eurodac verricht, maar tevens overeenkomstig artikel 34 van Pro de Dublinverordening een verzoek om informatie gedaan. De rechtbank overweegt dat de minister ook in die situatie artikel 42, zesde lid, van de Vw 2000 mag toepassen.
6. Het is vervolgens de vraag op welk moment na dit onderzoek is vastgesteld dat de verantwoordelijkheid is overgegaan op Nederland, want vanaf dat moment begint op grond van artikel 42, zesde lid, van de Vw 2000 de beslistermijn te lopen. Deze verantwoordelijkheid is in ieder geval vast komen te staan na het verstrijken van twee maanden na de Eurodac-treffer van 27 juni 2025. Nederland heeft de verantwoordelijkheid niet eerder dan deze termijn aan zich getrokken. Gelet op artikel 42, zesde lid, van de Vw 2000 is de beslistermijn van zes maanden dus gaan lopen vanaf 27 augustus 2025. Dit betekent dat deze beslistermijn eindigt op 27 februari 2026.
7. Eiser heeft de minister op 30 december 2025 in gebreke gesteld. De beslistermijn was op dat moment nog niet verstreken. De ingebrekestelling is dus te vroeg ingediend. Het beroep is daarmee kennelijk niet-ontvankelijk.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van
N.B. Yalcinkaya, griffier.
5 Rb. Den Haag (zp. Arnhem) 5 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:3378.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op 20 maart 2026

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.