ECLI:NL:RBDHA:2026:6577

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
26 maart 2026
Zaaknummer
NL25.37351
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbVerordening (EU) Nr. 604/2013
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek proceskostenvergoeding na intrekking terugkeerbesluit in vreemdelingenzaak

Verzoeker, een derdelander uit Oekraïne, had beroep ingesteld tegen een terugkeerbesluit van 14 juli 2025 waarin hij werd verplicht binnen vier weken terug te keren naar zijn land van herkomst. Na het indienen van een nieuwe asielaanvraag heeft de minister het terugkeerbesluit op 26 februari 2026 ingetrokken. Verzoeker trok daarop zijn beroep in en verzocht om vergoeding van de proceskosten.

De rechtbank overweegt dat een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75a Awb alleen mogelijk is indien het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk tegemoet is gekomen aan het beroep. In dit geval is het besluit ingetrokken vanwege een nieuwe asielaanvraag en het voornemen om verzoeker over te dragen aan Roemenië op grond van de Dublinverordening, wat geen verband houdt met de gronden van het beroep.

Daarom is geen sprake van tegemoetkomen zoals bedoeld in de Awb. Het verzoek om proceskostenvergoeding wordt dan ook afgewezen. De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt op 24 maart 2026 door de rechtbank Den Haag.

Uitkomst: Het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen omdat de intrekking van het terugkeerbesluit geen tegemoetkomen inhoudt.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.37351

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[verzoeker] , verzoeker

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. A. Kortrijk),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 14 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder bepaald dat verzoeker binnen vier weken na 4 september 2025 moet terugkeren naar zijn land van herkomst.
Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen dit besluit.
Verweerder heeft op 26 februari 2026 het besluit ingetrokken.
Verzoeker heeft vervolgens het beroep ingetrokken en daarbij verzocht verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
2. Uit vaste jurisprudentie volgt dat sprake is van tegemoetkomen als het bestuursorgaan het door de indiener van het beroepschrift gewenste besluit geheel of gedeeltelijk neemt, tenzij dit besluit kennelijk is genomen op andere gronden dan de indiener van het beroepschrift heeft aangevoerd. [1]
3. Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval geen sprake van tegemoetkomen zoals bedoeld in artikel 8:75a van de Awb. Verweerder heeft namelijk het bestreden besluit ingetrokken omdat verzoeker na het nemen van het bestreden besluit een nieuwe asielaanvraag heeft ingediend. Verweerder heeft vervolgens bij besluit van 25 februari 2026 bepaald dat verzoekers asielaanvraag niet in behandeling wordt genomen, omdat Roemenië op grond van de Dublinverordening [2] hiervoor verantwoordelijk is. Daarbij is ook besloten dat verzoeker naar Roemenië wordt overgedragen. Om deze redenen heeft verweerder op 26 februari 2026 het bestreden besluit ingetrokken. In zoverre houdt de intrekking van het bestreden besluit geen verband met de gronden van het beroep.
4. Het verzoek wordt daarom als kennelijk ongegrond afgewezen.

Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek om vergoeding van de proceskosten af.

Deze uitspraak is gedaan op 24 maart 2026 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. R. de Mul, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 24 juni 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1462.
2.Verordening (EU) Nr. 604/2013.