ECLI:NL:RBDHA:2026:6584

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 maart 2026
Publicatiedatum
26 maart 2026
Zaaknummer
C/09/699157 / KG ZA 26/141
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 ZvwArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vorderingen zorgaanbieder tegen zorgverzekeraar inzake omzetplafondverlaging

Inter-Psy, een zorgaanbieder in de geestelijke gezondheidszorg, vordert in kort geding dat Zilveren Kruis wordt verboden om terugvorderingen te doen vanwege overschrijding van het omzetplafond en dat het omzetplafond voor 2025 en 2026 wordt verhoogd. Zilveren Kruis had het omzetplafond voor 2025 aanzienlijk verlaagd vanwege een onbetaalde vordering op een zustervennootschap van Inter-Psy en onderproductie. Inter-Psy tekende het contract onder protest en vroeg later om ophoging van het plafond, wat slechts gedeeltelijk werd toegekend.

De voorzieningenrechter oordeelt dat Inter-Psy voldoende spoedeisend belang heeft vanwege de financiële impact, maar dat Zilveren Kruis als grootste zorgverzekeraar een zekere contracteervrijheid heeft, mits zij zich houdt aan redelijkheid en billijkheid. Hoewel de verlaging aanvankelijk gerechtvaardigd was door wantrouwen, viel die reden na een kortgedingvonnis weg. Zilveren Kruis heeft het plafond echter gehandhaafd zonder voldoende onderbouwing.

Desondanks wijst de rechtbank de vorderingen af omdat onvoldoende aannemelijk is dat Zilveren Kruis haar zorgplicht heeft geschonden of dat het omzetplafond onredelijk laag is. Ook kan in kort geding niet worden vastgesteld wat een proportionele verlaging zou zijn. De proceskosten worden aan Inter-Psy opgelegd.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen van Inter-Psy af en veroordeelt haar in de proceskosten.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/699157 / KG ZA 26/141
Vonnis in kort geding van 26 maart 2026
in de zaak van
Inter-Psy B.V.te Groningen,
eiseres,
advocaten mrs. K. Mous en E. Beekman te Arnhem,
tegen:

1.Zilveren Kruis Zorgverzekeringen N.V. te Leiden,

2. Interpolis Zorgverzekeringen N.V.te Leiden,
3. FBTO Zorgverzekeringen N.V.te Leeuwarden,
4. De Friesland Zorgverzekeraar N.V.te Leeuwarden,
gedaagden,
advocaten mrs. S.C. Bezemer en S.V.C. de Kroon te Amsterdam.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘Inter-Psy’ en ‘Zilveren Kruis’.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 30 ;
- de door Zilveren Kruis overgelegde conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 20;
- de door Inter-Psy overgelegde aanvullende producties 31 tot en met 38;
- de door Zilveren Kruis overgelegde aanvullende producties 21 en 22;
- de op 2 maart 2026 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd.
1.2.
Tijdens de zitting is vonnis bepaald op 23 maart 2026, en vervolgens nader op vandaag.

2.De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1.
Inter-Psy is een zorgaanbieder die (gespecialiseerde) geestelijke gezondheidszorg (hierna: (s)ggz) levert aan onder anderen verzekerden van Zilveren Kruis. Voor de vergoeding van de behandeling van die verzekerden hebben partijen al verschillende jaren overeenkomsten gesloten waarin een zogenaamd omzetplafond is opgenomen. Daarmee is vastgelegd welk bedrag Inter-Psy in het betreffende kalanderjaar maximaal mocht declareren bij Zilveren Kruis. In 2022 was dit omzetplafond € 5.087.646, in 2023 € 5.175.624 en in 2024 € 5.751.953.
2.2.
In het najaar van 2024 heeft Zilveren Kruis aan Inter-Psy een aanbod gedaan voor een overeenkomst voor het jaar 2025. In dat aanbod is een omzetplafond opgenomen van € 4.445.876. In reactie hierop heeft Inter-Psy gevraagd naar de reden voor de verlaging van het omzetplafond ten opzichte van het plafond voor 2024. Zilveren Kruis heeft vervolgens op 31 oktober 2024 – voor zover van belang – het volgende bericht:
“Bij de mandaatstelling 2025 hebben wij bij alle instellingen gekeken wat de prognose 2024 was. We zien bij meer instellingen een onderproductie en we willen ergens wel wat lucht uit de overeenkomsten halen bij deze GGZ- instellingen met onderproductie. Inter Psy liet ook een onderproductie zien, in de laatste UPM die bij ons bekend was op dat moment, de UPM-juli, Dit hebben wij als uitgangspunt genomen voor 2025.
UPM-juli
€ 5.234.742 UPM-juli
Dus prognose juli van Inter Psy: onderproductie van € 517.211.
Omzetplafond 2025
Het staat Zilveren Kruis vrij om wel of geen overeenkomst aan te bieden aan GGZ-instellingen voor 2025 of het omzetplafond naar beneden bij te stellen wanneer Zilveren Kruis dit noodzakelijk acht.
Op dit moment vinden wij het onaanvaardbaar om Inter-Psy te contracteren voor meer dan nodig om de volgende reden:
 In de uitspraak in hoger beroep van 21 mei 2024 is bepaald dat IPGGZ [rechtbank: een rechtspersoon/zorgaanbieder beheerst door de (toenmalige) UBO van Inter-Psy] ons nog onverschuldigd betaald zorggeld moet terugbetalen. Door jullie is toegezegd het geld terug te betalen als jullie in het ongelijk zouden worden gesteld, maar jullie zeggen nu dit niet te willen/kunnen terugbetalen. Onnodig contracteren met partijen wiens uiteindelijke eigenaar en aandeelhouder zo om gaan met zorggeld is voor ons niet uit te leggen aan verzekerden. Eerder heeft Zilveren Kruis dan ook aangegeven dat het niet betalen van de vordering gevolgen kan hebben voor de overeenkomst 2025.
Voor Zilveren Kruis reden om het volume in de regio op een andere manier te verdelen en het plafond naar beneden bij te stellen.”
2.3.
Inter-Psy heeft bij e-mail van 6 november 2024 aan Zilveren Kruis laten weten dat de opgegeven reden(en) haars inziens niet een zodanige verlaging van het omzetplafond rechtvaardigen en heeft erop gewezen dat ze door die verlaging in ernstige problemen zal komen. In de e-mail schrijft zij ook:
“Gezien de tijdsdruk en de potentiële gevolgen voor onze patiënten en medewerkers, en zelfs een dreigend faillissement als we helemaal geen contract krijgen, kunnen we bijna niet anders dan onder protest akkoord gaan met jullie dwang. Nee zeggen tegen een contract, omdat er gewoonweg geen alternatief is, betekent dat jullie als verzekeraar gebruik maken van een financiële noodsituatie bij ons wanneer we dit contract zouden weigeren en maakt zo een weigering van jullie voorstel praktisch onmogelijk. Jullie gebruiken jullie positie,
macht en dwang ten koste van onze medewerkers en ten koste van voldoende inkoop voor jullie verzekerden. Wij willen in de toekomst juridische stappen kunnen ondernemen over de hoogte van de door jullie opgelegde volume en tegen wat wij beschouwen als onredelijke contractvoorwaarden en misbruik van onze financiële noodsituatie.
We willen dus graag een gesprek met jullie als inkoper en eventueel met het landelijke hoofd Inkoop. Als dat er niet inzit, zullen we tekenen in Vecozo, waarbij we het alleen oneens zijn over het contractvolume en het eens zijn over het percentage van het tarief.”
2.4.
De e-mail van Inter-Psy heeft er niet toe geleid dat Zilveren Kruis haar aanbod heeft herzien. Zij heeft Inter-Psy nog wel gewezen op de mogelijkheid tot indiening van een verzoek tot ophoging van het omzetplafond tijdens de looptijd van de overeenkomst. Inter-Psy heeft vervolgens de overeenkomst voor 2025 onder protest getekend.
2.5.
In het onlosmakelijk met de overeenkomst verbonden Inkoopbeleid Geestelijke Gezondheidszorg 2025 is opgenomen dat bij een verwachte overschrijding van het afgesproken omzetplafond vanaf 1 mei tot 1 september van het lopende contractjaar een verzoek tot verruiming van het plafond kan worden gedaan. Over de beoordeling van zo’n verzoek is het volgende vermeld:
“Wanneer u bij ons voor 1 september een verzoek tot verruiming van het omzetplafond indient, kijken we allereerst of er mogelijkheden zijn tot zorgbemiddeling. Wanneer er voldoende alternatieve zorgaanbieders beschikbaar zijn, bemiddelen we onze verzekerden door naar andere zorgaanbieders en wordt uw omzetplafond niet opgehoogd. Wanneer er geen alternatieve zorgaanbieders beschikbaar zijn, ontvangt u van ons een uitvraagformulier voor de beoordeling van het verzoek tot verruiming van het omzetplafond.
Het uitvraagformulier moet correct en volledig zijn ingevuld en geretourneerd. Vervolgens nemen we de aanvraag in behandeling en beoordelen we uw verzoek op basis van de volgende criteria:
• de situatie rondom wachttijden (die u periodiek aanlevert bij de NZa) en onze zorgplicht in de betreffende regio;
• de groei en ontwikkeling van het aantal cliënten. U komt alleen in aanmerking voor een ophoging van het omzetplafond wanneer u het afgesproken volume gelijkmatig verdeeld heeft over het kalenderjaar waarover de afspraak geldt, of wanneer er zwaarwegende redenen zijn waarom uw volume stijgt gedurende het jaar;
• de Uniforme Productiemonitor (UPM) over 2025 moet volledig, actueel en tijdig aangeleverd zijn conform de afspraken in de overeenkomst;
• de UPM’s van voorgaande jaren (2023, 2024) zijn in lijn met de realisatie van het betreffende jaar;
• uw doelmatigheid is in orde en in beginsel niet afgenomen ten opzichte van voorgaande kalenderjaren, hierbij kijken we onder andere naar de ontwikkeling van de gemiddelde kosten per cliënt;
• uw toelichting met betrekking tot het verzoek is duidelijk en kernachtig en geeft een onderbouwing op de toename van het aantal cliënten;
• er zijn geen lopende zaken bij Speciale Zaken, Materiële Controle en/of Naleving.
(…)
De hoogte van de verruiming is nooit meer dan 50% van de afspraak van het lopende contractjaar.”
2.6.
In artikel 22 lid 3 van Pro de bij de overeenkomst gevoegde Algemene Bepalingen GGZ 2025 staan de situaties beschreven waarin de overeenkomst met onmiddellijke ingang zonder rechterlijke tussenkomst geheel of gedeeltelijk kan worden opgezegd. Dat kan onder meer in de volgende gevallen:
“d. door de Zorgverzekeraar als de onderneming van de Zorgaanbieder wordt beëindigd dan wel wordt ontbonden of (een deel daarvan) aan een derde wordt overgedragen en hiervoor voorafgaand geen instemming voor is verleend door de Zorgverzekeraar;
e. door de Zorgverzekeraar indien de zeggenschapsverhouding binnen de Zorgaanbieder significant wijzigt door bijvoorbeeld overdracht van aandelen, omzetting, splitsing of fusie tenzij de Zorgverzekeraar na voorafgaand overleg hiertegen geen bezwaar heeft;”
2.7.
Op 2 december 2024 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank uitspraak gedaan in een kort geding tussen Inter-Psy en Zilveren Kruis over de vraag of Zilveren Kruis een vordering die zij op IPGGZ B.V., een zustervennootschap van Inter-Psy, heeft mocht verrekenen met aan Inter-Psy verschuldigde betalingen. De voorzieningenrechter heeft in het vonnis die vraag ontkennend beantwoord en daarbij onder meer overwogen dat het bestaan van de door Zilveren Kruis gestelde toezeggingen van Inter-Psy over de betaling van de vordering van IPGGZ onvoldoende aannemelijk is geworden. Zilveren Kruis is niet van dit vonnis in hoger beroep gegaan. Ook heeft zij geen bodemprocedure gestart om haar vordering op IPGGZ van Inter-Psy betaald te krijgen.
2.8.
Op 10 maart 2025 is bij de Nederlandse Zorgautoriteit een aanvraag ingediend tot goedkeuring van – kort gezegd – de overname van (de aandelen van) Inter-Psy door OPOS Bidco B.V. Zilveren Kruis is bij brief van 7 april 2025 van deze (voorgenomen) overname op de hoogte gesteld. De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) heeft bij besluit van 9 mei 2025 de overname goedgekeurd. Inter-Psy heeft op 18 juni 2025 aan Zilveren Kruis een toelichting gegeven op de overname.
2.9.
Vanaf mei 2025 hebben gesprekken plaatsgevonden tussen Inter-Psy en Zilveren Kruis over de door Inter-Psy verwachte overschrijding van het omzetplafond. Zilveren Kruis heeft in die gesprekken Inter-Psy verzocht om in verband daarmee de instroom van patiënten die op de wachtlijst staan te temporiseren en patiënten op die wachtlijst te verwijzen naar de afdeling Zorgbemiddeling van Zilveren Kruis. Naar aanleiding van dit verzoek heeft Inter-Psy vanaf juni 2025 verzekerden van Zilveren Kruis daartoe strekkende berichten gestuurd.
2.10.
Op 20 juni 2025 heeft Inter-Psy in verband met de te verwachte overschrijding van het omzetplafond een formele aanvraag gedaan voor ophoging van het plafond met € 1.800.000. Zij schrijft daarin onder meer:
“Wij hebben de ruimte om meer patiënten te zien dan dat de contractruimte ons toelaat. We zien dat wij relatief makkelijk aan personeel kunnen komen en dat ons personeel graag voor ons werkt. Al een tijdje hebben we een hoger saldo aan instroom dan aan uitstroom van personeel. Het personeelsbestand (aan behandelaren) is in 2025 t.o.v. 2024 met zo'n 10% gestegen. Het kan wat ons betreft niet zo zijn dat wij wachtende patiënten buiten moeten laten staan en onze psychologen werkloos achter het bureau moeten houden, in een tijd waarin er zorgwekkende wachtlijsten zijn voor patiënten. Dat zou te verantwoorden zijn als er collega-instellingen waren met heel veel personele- en contractruimte. Dit laatstgenoemde bestaat helaas niet, omdat er overal wachtlijsten zijn van vele maanden of vaak zelfs langer dan een jaar. Dit is een landelijk bekend probleem maar zeker ook in de regio's waarin wij acteren (Noord-Nederland en Noord-Holland).
De contractering is vaak gebaseerd op het budget van het voorgaande jaar inclusief een indexering voor de tariefstijging, derhalve op basis van historische volumes. In uw geval is dit helaas in het contracteringsproces voor het jaar 2025 totaal mank gaan lopen en hebben wij onder protest omtrent de totale contractruimte het contract uiteindelijk met u getekend. Uw argument dat u voldoende heeft ingekocht bij collega-instellingen in de regio waardoor de wachtende cliënten elders in zorg kunnen worden genomen, gaat aantoonbaar niet op.”
2.11.
In reactie hierop heeft Zilveren Kruis op 4 juli 2025 het volgende bericht:
“(…) Dit soort hoge aanvragen kunnen we niet aan voldoen en zullen we dus ook niet toekennen, bij geen enkele aanbieder.
Het is aan jullie om wel of niet te temporiseren of een tijdelijke cliëntenstop te hanteren.”
Niettemin werd Inter-Psy gevraagd een productie uitvraagformulier in te vullen om het verzoek tot verruiming van het omzetplafond te kunnen beoordelen.
2.12.
Inter-Psy heeft eind augustus 2025 het productie uitvraagformulier ingevuld en een onderbouwing van haar verzoek tot ophoging van het omzetplafond gegeven.
2.13.
Zilveren Kruis heeft zich in een brief van 5 september 2025 op het standpunt gesteld dat Inter-Psy haar contractuele verplichtingen heeft geschonden door Zilveren Kruis niet van alle relevante informatie te voorzien, niet met haar in overleg te treden en geen expliciete toestemming te vragen voor de overname (zie hiervoor bij 2.8). In die brief schrijft zij dat zij niettemin met Inter-Psy in gesprek wil blijven over een toekomstige samenwerking, mits dit plaatsvindt binnen de kaders van de bestaande overeenkomst.
2.14.
Zilveren Kruis heeft Inter-Psy op 12 september 2025 schriftelijk laten weten dat haar ophogingsverzoek gedeeltelijk wordt toegewezen. Zij schrijft:
“In de gesprekken die er gevoerd zijn met Inter Psy hebben we laten weten dat het omzetplafond inclusief verzekerdenmutatie de afspraak is voor 2025.
Inter Psy moest gefaseerd cliënten in laten stromen en temporiseren of eventueel een cliëntenstop invoeren.
Zilveren Kruis heeft besloten toch een gedeeltelijke toekenning volgens beslisboom te doen.
Zilveren Kruis heeft het verzoek voor het verruimen van het omzetplafond 2025 gedeeltelijk gehonoreerd.
Zilveren Kruis verhoogt het omzetplafond 2025 van Inter Psy éénmalig met een bedrag bruto van € 245.000 tegen een vergoeding van 75%. De maximale netto vergoeding bedraagt daarmee € 183.750.
Het nieuwe omzetplafond 2025 komt hierbij uit op € 4.410.626.
(…)
De ophoging is voor het in zorg nemen van nieuwe cliënten.
De verruiming is alleen voor het in zorg nemen van een gedeelte van de nieuwe cliënten die op de wachtlijst staan.
(…)”
2.15.
Inter-Psy heeft vervolgens nogmaals meerdere keren, mede aan de hand van cijfers, uiteengezet waarom volgens haar een verdere verhoging van het omzetplafond gerechtvaardigd is. Dit heeft er niet toe geleid dat Zilveren Kruis haar standpunt heeft herzien. Inter-Psy is uiteindelijk, wederom onder protest, akkoord gegaan met de door Zilveren Kruis aangeboden verruiming van het omzetplafond.
2.16.
Op 24 november 2025 heeft Zilveren Kruis Inter-Psy laten weten dat zij declaraties over het jaar 2025 niet meer betaalt, omdat het omzetplafond is bereikt.
2.17.
Eind 2025 heeft Zilveren Kruis een aanbod gedaan voor een overeenkomst voor het jaar 2026. In dat aanbod is het omzetplafond voor 2026 vastgesteld op € 4.631.823. Inter-Psy heeft de aangeboden overeenkomst onder protest getekend.
2.18.
Ook nadien hebben partijen nog gesproken over de afwijkende verlaging van het omzetplafond voor 2025 (en de handhaving daarvan) en 2026 , waarbij Inter-Psy zich mede heeft beroepen op een advies van haar advocaat. Dit heeft niet geleid tot (verdere) aanpassing van de overeengekomen plafonds. Zilveren Kruis schrijft in een e-mail van 16 december 2025:
“Zilveren Kruis blijft bij haar eerder ingenomen standpunten.
De standpunten van Zilveren Kruis zijn ingenomen op basis van zorginhoudelijke en financiële kaders. Wij achten beide kaders van belang voor de continuïteit van zorg aan onze verzekerden. Dit betekent dat het overeengekomen omzetplafond voor 2025 en 2026 gehandhaafd blijft en Zilveren Kruis geen (verdere) ophoging van het omzetplafond voor 2025 toekent.”
2.19.
Inter-Psy heeft vervolgens een melding gedaan bij de NZa en haar verzocht handhavend op te treden.
2.20.
Zilveren Kruis heeft Inter-Psy op 12 februari 2026 bericht dat zij in afwachting van deze kortgedingprocedure geen (verdere) verrekeningen zal verrichten gerelateerd aan de overschrijding van het omzetplafond van 2025.

3.Het geschil

3.1.
Inter-Psy vordert – na wijziging van eis – dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, Zilveren Kruis:
voor 2025
primair
I. verbiedt om vanwege de overschrijding van het omzetplafond tot terugvordering of verrekening over te gaan van enig bedrag dat samenhangt met de overschrijding van het omzetplafond, en
II. gebiedt de geleverde maar nog niet betaalde zorg uit 2025 te vergoeden op grond van de vergoedingsafspraken (met uitzondering van de afspraken die zien op het omzetplafond);
subsidiair
III. gebiedt het verzoek tot ophoging van het omzetplafond alsnog te toetsen aan de door haar in haar inkoopbeleid genoemde criteria, met dien verstande dat volledige toewijzing van het verzoek dient plaats te vinden wanneer sprake is van een bewezen zorgvraag en substantiële wachtlijstproblematiek, althans wanneer voldaan wordt aan de door de voorzieningenrechter te bepalen voorwaarden, en om in afwachting daarvan iedere terugvordering of verrekening te staken en een eventueel reeds uitgevoerde verrekening ongedaan te maken;
voor 2026
primair
IV. verbiedt een beroep te doen op en/of uitvoering te geven aan de contractuele afspraken omtrent de hoogte van het omzetplafond, althans niet totdat een omzetplafond is bereikt van € 6.299.847,11 of een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen bedrag, althans Zilveren Kruis gebiedt om opnieuw met Inter-Psy in onderhandeling te treden over het omzetplafond voor 2026 tegen redelijke, door de voorzieningenrechter te bepalen voorwaarden;
subsidiair
V. gebiedt een verzoek van Inter-Psy tot ophoging van het omzetplafond te toetsen aan de door haar in haar inkoopbeleid genoemde criteria, met dien verstande dat volledige toewijzing van het verzoek dient plaats te vinden wanneer sprake
is van een bewezen zorgvraag, substantiële wachtlijstproblematiek en tijdige alarmering door Inter-Psy (dat wil zeggen vóór 1 september 2026), althans wanneer voldaan wordt aan de door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen voorwaarden.
Alles op straffe van een dwangsom van € 5.000 voor iedere dag dat Zilveren Kruis, na betekening van het vonnis, niet aan de ge- of verboden voldoet, met een maximum van € 1.000.000.
in alle gevallen
VI. veroordeelt tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van € 13.178,35
VII. veroordeelt tot betaling van de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente en nakosten.
3.2.
Daartoe voert Inter-Psy – samengevat – het volgende aan. Door niet over te gaan tot ophoging van het omzetplafond voor 2025 en 2026 handelt Zilveren Kruis in strijd met de op haar rustende zorgvuldigheids- c.q. zorgplicht. Volgens Inter-Psy dient Zilveren Kruis alle door Inter-Psy in 2025 geleverde zorg te vergoeden en het omzetplafond voor 2026 – conform de door de NZa vastgelegde indexaties – te verhogen tot € 6.299,847,11, althans mag zij in relatie tot Inter-Psy geen beroep doen op het overeengekomen (te lage) omzetplafond. Dit baseert Inter-Psy op de gemaakte afspraken in de gesloten overeenkomsten en de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid, alsmede op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid. Omdat Zilveren Kruis tot op heden weigerachtig is om de door Inter-Psy in 2025 geleverde zorg boven het omzetplafond te betalen en dit onmiddellijke en ingrijpende gevolgen heeft voor de liquiditeitspositie ziet Inter-Psy zich genoodzaakt om deze kortgedingprocedure te starten.
3.3.
Zilveren Kruis voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4.De beoordeling van het geschil

beoordeling vorderingen I. tot en met III. (2025)
spoedeisend belang
4.1.
Ter onderbouwing van het spoedeisend belang van de vorderingen die zien op 2025 heeft Inter-Psy onder meer gewezen op de financiële gevolgen die de verlaging van het omzetplafond voor het jaar 2025 en de handhaving daarvan voor haar organisatie heeft. Zij wijst erop dat daardoor meer dan 20% van haar totale productie gekoppeld aan verzekerden van Zilveren Kruis (wat neerkomt op 1,12 miljoen euro) onbetaald blijft, terwijl haar financiële verplichtingen onverkort doorlopen. Dit legt, zo stelt Inter-Psy, een enorme druk op de bedrijfsvoering en leidt ertoe dat substantiële bezuinigingen zullen moeten worden doorgevoerd. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft Inter-Psy daarmee voldoende toegelicht waarom zij een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorzieningen en waarom niet van haar gevergd kan worden dat zij de uitkomst van een bodemprocedure afwacht. Ook als ervan uit wordt gegaan dat het aandeel van Zilveren Kruis in de totale omzet van Inter-Psy minder dan 28% bedraagt, zoals Zilveren Kruis aanvoert, is aannemelijk dat het mislopen van een bedrag van ruim een miljoen euro aan (op basis van eerdere contractuele afspraken vooraf ingecalculeerde) inkomsten aanmerkelijke, directe gevolgen heeft voor de liquiditeit van een organisatie als Inter-Psy. Dat die gevolgen niet concreet zijn gemaakt, doet daar niet aan af. Ook het door Zilveren Kruis geschetste tijdsverloop sinds het eerste bezwaar tegen het door Zilveren Kruis vastgestelde omzetplafond voor 2025 doet naar het oordeel geen afbreuk aan het spoedeisend belang. Inter-Psy heeft eerst via de overeengekomen procedure, door indiening van een verzoek tot ophoging van het plafond, geprobeerd om haar contractruimte te vergroten. Pas met de beslissing van 12 september 2025 is officieel aan haar medegedeeld dat de door haar gewenste ophoging er niet zou komen. Dat nadien enkele maanden zijn verstreken tot het uitbrengen van de dagvaarding rechtvaardigt niet de conclusie dat het tijdsverloop de indruk wekt dat de situatie bij Inter-Psy als gevolg van de verlaging van het omzetplafond voor 2025 niet zo prangend is als zij doet voorkomen. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter dat Inter-Psy ook na de beslissing op het ophogingsverzoek nog op verschillende manieren heeft geprobeerd om Zilveren Kruis op andere gedachten te brengen, waarbij steeds is gewezen op de gevolgen die de beslissing van Zilveren Kruis om het omzetplafond substantieel te verlagen heeft op de continuïteit van Inter-Psy.
inhoudelijke beoordeling
4.2.
Het gaat in deze zaak in de kern om de vraag of Zilveren Kruis bij het aangaan van de overeenkomst (2025 en 2026) in redelijkheid een omzetplafond mocht bedingen dat aanzienlijk lager was dan het omzetplafond dat in de voorgaande jaren tussen partijen was overeengekomen. Voldoende aannemelijk is dat er gedurende 2025 geen discussie zou zijn geweest over de ophoging van het plafond als het plafond toen in lijn met de eerdere afspraken tussen partijen was vastgesteld. De beoordeling van de stelling dat Zilveren Kruis (contractuele) verplichtingen heeft geschonden door het verzoek tot ophoging van het omzetplafond niet de honoreren (grondslag 1), is dus in belangrijke mate afhankelijk van het oordeel over de rechtmatigheid van de verlaging van het plafond an sich. Met het ophogingsverzoek heeft Inter-Psy immers vooral willen bewerkstelligen dat het omzetplafond werd teruggebracht naar het ‘normale’ niveau. De voorzieningenrechter zal daarom eerst beoordelen of de verlaging van het plafond (en de handhaving daarvan) gelet op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid (grondslag 2) de toets der kritiek kan doorstaan.
beoordelingskader
4.3.
Zilveren Kruis heeft als zorgverzekeraar een wettelijke plicht om ervoor te zorgen dat er voldoende zorg beschikbaar is voor de consumenten die bij haar zijn verzekerd. Tegelijkertijd heeft zij de taak om te bevorderen dat de zorgkosten beheersbaar blijven. Dit brengt mee dat van haar wordt verwacht dat zij zo doelmatig mogelijk zorg inkoopt. Daarbij spelen zowel toegankelijkheid, kwaliteit als prijs een rol. Bij het inkopen van zorg geldt als uitgangspunt dat Zilveren Kruis in beginsel vrij is om te bepalen met welke zorgaanbieders zij een overeenkomst aangaat en onder welke voorwaarden zij dat doet. Deze voorwaarden vormen het inkoopbeleid van Zilveren Kruis. Dit beleid houdt onder meer in dat Zilveren Kruis een omzetplafond afspreekt met de zorgaanbieders waarmee zij contracteert.
4.4.
De contracteervrijheid van Zilveren Kruis is echter niet onbegrensd, doordat er beperkingen kunnen gelden op grond van publiekrechtelijke regelgeving en het algemeen verbintenissenrecht. De vrijheid wordt ingekaderd door het feit dat de zorgverzekeraar en de zorgaanbieder op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw) een gedeelde verantwoordelijkheid hebben om ervoor te zorgen dat de patiënt/verzekerde aanspraak kan maken op toegankelijke, kwalitatief goede en betaalbare zorg. De zorgverzekeraar draagt daaraan bij door op de zorginkoopmarkt die zorg adequaat in te kopen en de zorgaanbieder door op de zorgmarkt die zorg adequaat aan te bieden. Als een zorgaanbieder van een zorgverzekeraar afhankelijk is, kan hij die zorg alleen aan patiënten bieden als de zorgverzekeraar hem daartoe in staat stelt. In die situatie, moet de zorgverzekeraar zich mede laten leiden door de maatstaven van redelijkheid en billijkheid en bij zijn inkoopgedrag voldoende rekening houden met de gerechtvaardigde belangen van de zorgaanbieder. [1]
afhankelijkheidsrelatie Inter-Psy en Zilveren Kruis
4.5.
Inter-Psy heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk gemaakt dat zij (in zekere mate) afhankelijk is van Zilveren Kruis. Vaststaat dat Zilveren Kruis de grootste zorgverzekeraar van Nederland is. Al jarenlang sluit zij zorgovereenkomsten met Inter-Psy en haar aandeel in de omzet van Inter-Psy is, anders dan Zilveren Kruis suggereert, bepaald niet te verwaarlozen. Aannemelijk is dat Inter-Psy, zoals zij stelt, haar organisatie daarop heeft ingericht. Dat het voor Inter-Psy een reële optie is om ervoor te kiezen om geen overeenkomst meer met Zilveren Kruis aan te gaan, is gelet hierop onvoldoende gebleken. Vaststaat dat voor ongecontracteerde zorg aanzienlijk lagere tarieven worden betaald. Daarnaast is niet weersproken dat huisartsen patiënten voornamelijk doorverwijzen naar gecontracteerde zorgaanbieders. Het is dan ook aannemelijk dat het verlenen van zorg aan verzekerden van Zilveren Kruis zonder overeenkomst aanmerkelijke financiële en organisatorische gevolgen voor Inter-Psy zal hebben. Dat maakt dat Inter-Psy als zorgaanbieder afhankelijk is van Zilveren Kruis.
4.6.
Dat Inter-Psy afhankelijk is van Zilveren Kruis, betekent zoals hiervoor is geoordeeld, dat Zilveren Kruis zich tegenover Inter-Psy naar redelijkheid en billijkheid moet gedragen en bij haar inkoopgedrag voldoende rekening moet houden met de gerechtvaardigde belangen van Inter-Psy. Inter-Psy bepleit dat met het oog op die belangen Zilveren Kruis niet kon overgaan tot verlaging van het omzetplafond en voert daartoe verschillende omstandigheden aan.
de zorgplicht van artikel 11 Zvw Pro
4.7.
Inter-Psy beroept zich onder meer op de wettelijk plicht van Zilveren Kruis om ervoor te zorgen dat al hun verzekerden in staat zijn aanspraak te maken op (de vergoeding van) die zorg waarop zij zijn aangewezen (artikel 11 Zvw Pro). Zij stelt dat Zilveren Kruis die plicht heeft geschonden met de doorgevoerde verlaging van het omzetplafond. Dat maakt die verlaging volgens haar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Daarbij wijst Inter-Psy erop dat uit de uitspraak van de Hoge Raad van 6 november 2015 [2] volgt dat ook zorgaanbieders een zelfstandig en rechtens te respecteren belang bij naleving van de zorgplicht door de verzekeraar hebben. Met het oog op de taak van zorgverzekeraars om zorg te dragen voor een goed functionerende zorgmarkt, dienen zij voldoende zorg in te kopen bij zorgaanbieders. Volgens Inter-Psy is Zilveren Kruis daarin tekortgeschoten. Zij betoogt dat het gelet op de lange en oplopende wachttijden in de (s)ggz en de mogelijkheden die Inter-Psy heeft om die wachttijden te verkorten onbegrijpelijk is dat Zilveren Kruis het omzetplafond met 1,3 miljoen euro heeft verlaagd (en die verlaging vervolgens heeft gehandhaafd).
4.8.
Zilveren Kruis betwist op zichzelf niet dat zorgaanbieders een rechtens te respecteren belang hebben bij naleving van de wettelijke zorgplicht. Volgens haar vloeit uit die zorgplicht echter niet voort dat iedere overschrijding van een omzetplafond of iedere groeiwens van een specifieke zorgaanbieder moet worden gehonoreerd door bij te contracteren. Zij voert aan dat de zorg die zij in 2025 niet bij Inter-Psy heeft ingekocht, is ingekocht bij andere gecontracteerde zorgaanbieders in de regio. Daarmee heeft zij het budget dat gelet op de kaders waarbinnen zij acteert kan worden uitgegeven aan (s)ggz (door haar ook aangeduid als ‘de taart’) anders verdeeld.
Zilveren Kruis betwist dat uit de lange en oplopende wachttijden in de (s)ggz zonder meer kan worden afgeleid dat zij onvoldoende zorg heeft ingekocht. Zij heeft er in dit verband op gewezen dat zij – samen met zorgaanbieders – niet alleen verantwoordelijk is voor de kwaliteit en de toegankelijkheid van zorg maar ook voor de betaalbaarheid daarvan. Zij kan dus niet zomaar meer zorg in- of bijkopen om wachttijden te verkorten. Nog daargelaten dat het enkel verhogen van de contractering niet automatisch leidt tot kortere wachttijden.
Volgens Zilveren Kruis zijn de door Inter-Psy aangehaalde wachtlijstcijfers ook te algemeen van aard om daaraan conclusies te verbinden, nu daarin geen onderscheid wordt gemaakt tussen de verschillende categorieën wachtenden, zoals wachtenden die op korte termijn zorg nodig hebben en wachtenden die uit voorzorg op een wachtlijst worden geplaatst. Bovendien zijn er ook wachtenden die op een wachtlijst staan omdat zij wachten op zorg bij een specifieke locatie of zorgaanbieder (wenswachtenden), aldus Zilveren Kruis.
4.9.
Inter-Psy heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter tegenover deze betwisting onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld op basis waarvan aannemelijk kan worden geacht dat Zilveren Kruis op grond van haar zorgplicht gehouden was om in 2025 meer zorg bij Inter-Psy in te kopen. Dat de huidige wachttijden in de (s)ggz, zowel landelijk als regionaal, de maximaal aanvaardbaar geachte wachttijden (de Treeknormen) al jarenlang (ruimschoots) overschrijden, duidt erop dat sprake is van een structureel tekort aan behandelcapaciteit. Daarmee is niet gezegd dat Zilveren Kruis er in 2025 niet voor mocht kiezen om meer zorg bij andere zorgaanbieders in de regio in te kopen en daarmee behandelcapaciteit van Inter-Psy onbenut te laten. Die conclusie is tegen de achtergrond van de verschillende aspecten die een rol spelen bij de inkoop van zorg en de, niet door Inter-Psy bestreden, complexiteit van de wachtlijstproblematiek in de (s)ggz te verstrekkend. Bovendien speelt daarbij een rol of de andere zorgaanbieders voldoende capaciteit hadden om de (extra) zorg die bij hen was ingekocht te verlenen. Of dat zo is vraagt, gelet op de uiteenlopende standpunten van partijen daarover, nader onderzoek en/of nadere bewijslevering. Daarvoor leent de kortgedingprocedure zich niet.
de motivering van de verlaging van het omzetplafond
4.10.
Dat er vooralsnog vanuit moet worden gegaan dat Zilveren Kruis de taart anders mocht verdelen dan voorheen, hoeft er niet aan in de weg te staan dat die verdeling gelet op de nadelige (financiële en organisatorische) gevolgen daarvan voor Inter-Psy op zichzelf naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. In dat verband is van belang of de redenen die Zilveren Kruis heeft opgegeven de doorgevoerde verlaging van het omzetplafond en de handhaving daarvan rechtvaardigen.
4.11.
Zilveren Kruis heeft op 31 oktober 2024 meegedeeld wat de redenen waren om in het voorstel voor de overeenkomst voor 2025 een omzetplafond op te nemen dat aanmerkelijk lager was (ongeveer 1,3 miljoen euro) dan het omzetplafond zoals dat voor 2024 tussen partijen was overeengekomen. Uit de e-mail die Zilveren Kruis heeft gestuurd blijkt dat de voornaamste reden voor die verlaging het onbetaald blijven van de vordering van Zilveren Kruis op IPGGZ was. In de e-mail wordt ook onderproductie genoemd, maar tussen partijen is niet in geschil dat die onderproductie beperkt was en slechts een summiere verlaging rechtvaardigde. Voor zover ook nog andere omstandigheden een rol hebben gespeeld, geldt dat niet gebleken is dat die omstandigheden als reden voor de verlaging aan Inter-Psy kenbaar zijn gemaakt. Die omstandigheden staat in ieder geval niet in de e-mail van 31 oktober 2024, die een reactie vormt op de vraag van Inter-Psy naar de redenen voor de verlaging.
4.12.
Zilveren Kruis heeft toegelicht dat het onbetaald blijven van de vordering van Zilveren Kruis op IPGGZ, die zag op onverschuldigd betaalde zorggelden, er – kort samengevat – toe heeft geleid dat het vertrouwen van Zilveren Kruis in (de (toenmalige) aandeelhouder en bestuurder van) Inter-Psy ernstig is geschaad. Het is niet zonder meer onterecht dat Zilveren Kruis daarin aanleiding zag om in 2025 minder zorg bij Inter-Psy in te kopen. In dit geval is ook niet gebleken dat het beroep van Zilveren Kruis op schending van vertrouwen op het moment dat het aanbod voor een nieuwe overeenkomst werd gedaan volstrekt uit de lucht gegrepen was: er lag een arrest (na cassatie) van het gerechtshof Amsterdam van 21 mei 2024 waaruit volgde dat IPGGZ nog een aanzienlijk bedrag aan haar moest betalen en Inter-Psy kwam haar – volgens Zilveren Kruis gedane – toezeggingen om dat bedrag te betalen niet na. Pas met het vonnis van de voorzieningenrechter van 2 december 2024 is gebleken dat Zilveren Kruis zich – naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter – niet op door Inter-Psy gedane toezeggingen kon beroepen. Op dat moment was Inter-Psy – zij het onder protest – door ondertekening van de overeenkomst al akkoord gegaan met de verlaging van het omzetplafond. Dat laat onverlet dat met het vonnis van 2 december 2024, waarbij Zilveren Kruis zich heeft neergelegd (zie 2.7), de voornaamste (opgegeven) reden voor die verlaging in beginsel wegviel. Een rechtvaardiging voor (volledige) handhaving daarvan bestond er op dat moment dan ook niet meer, temeer niet waar Zilveren Kruis (tot nu toe) ook niet alsnog via een bodemprocedure (of een andere wijze van geschilbeslechting) heeft getracht haar claim gebaseerd op de gestelde toezeggingen van Inter-Psy vastgesteld te krijgen. Zilveren Kruis heeft na het wijzen van het kortgedingvonnis echter geen stappen ondernomen om het omzetplafond alsnog te verhogen. Zij heeft Inter-Psy, naar de rechtbank begrijpt onder het mom van ‘afspraak is afspraak’, gehouden aan het overeengekomen plafond. Dat is naar het oordeel van de voorzieningenrechter in de gegeven omstandigheden op zijn minst bedenkelijk.
4.13.
Ook toen Inter-Psy vanaf mei 2025 herhaaldelijk (formeel en informeel) zelf verzocht om ophoging van het plafond, heeft Zilveren Kruis de verlaging gehandhaafd. Kennelijk vond Zilveren Kruis daarvoor (ook) rechtvaardiging in de gang van zaken rondom de overname van de aandelen in Inter-Psy door OPOS Bidco B.V. en de berichtgeving daaromtrent. Nu Inter-Psy voorafgaand aan die overname geen overleg met haar heeft gevoerd, terwijl zij daartoe op grond van de overeenkomst wel verplicht was, en Inter-Psy haar min of meer voor een voldongen feit stelde, herleefde het beeld van Zilveren Kruis dat zij van doen had met een onbetrouwbare partij, te meer nu de oud-eigenaar en bestuurder aan Inter-Psy verbonden bleef. Hoewel het de voorzieningenrechter niet onredelijk voorkomt dat Zilveren Kruis hierin een reden zag om het ophogingsverzoek van Inter-Psy met enige terughoudendheid te beoordelen, betekent dat niet zonder meer dat daarmee de bij aanvang van de overeenkomst (gezien het kortgedingvonnis: op achteraf gezien onterechte grond) doorgevoerde verlaging van het omzetplafond nog altijd gerechtvaardigd was en aldus dat plafond vrijwel onverkort kon worden gehandhaafd. Het had op de weg van Zilveren Kruis gelegen om dat nader te onderbouwen. Dat heeft zij nagelaten. In zoverre kan Inter-Psy dan ook worden gevolgd in haar stelling dat de afwijzing van het ophogingsverzoek niet naar behoren is onderbouwd. Tegelijkertijd kan het standpunt van Inter-Psy dat geen enkele verlaging mocht worden doorgevoerd en/of gehandhaafd ook weer niet zonder meer worden gevolgd. Bij de formulering van dat standpunt is immers de gang van zaken rondom de overname niet (kenbaar) betrokken. Het komt er dus op neer dat er nog een nader debat dient plaats te vinden over de vraag wat in de gegeven omstandigheden een proportionele verlaging van het omzetplafond zou zijn geweest. Daarvoor is in dit kort geding geen plaats, temeer niet omdat partijen daarover geen debat hebben gevoerd en de voorzieningenrechter zich niet in staat acht daarvoor schattenderwijs bij wege van voorlopige voorziening een wel gerechtvaardigde verlaging te bepalen. Dat Zilveren Kruis zou moeten ‘bewegen’ acht de voorzieningenrechter wel aannemelijk.
overige stellingen Inter-Psy
4.14.
Inter-Psy heeft er in het kader van haar beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid ook nog op gewezen dat Zilveren Kruis zich niet bereid heeft getoond om de bij Inter-Psy ontstane problematiek daadwerkelijk op te lossen en bovendien onzorgvuldig en onbehoorlijk communiceerde. Zelfs als Inter-Psy daarin zou worden gevolgd, kan dat in dit geval niet tot de conclusie leiden dat Zilveren Kruis zich in het geheel niet meer op het overeengekomen omzetplafond mag beroepen en dus alle door Inter-Psy geleverde zorg moet vergoeden.
4.15.
Anders dan Inter-Psy stelt is de voorzieningenrechter daarnaast van oordeel dat Zilveren Kruis geen onredelijk voordeel geniet door de door Inter-Psy verleende zorg gedeeltelijk onbetaald te laten. Het moge zo zijn dat de verzekerden aan wie de niet vergoede zorg is verleend daarop waren aangewezen, maar dat betekent niet dat Zilveren Kruis, zoals zij terecht opmerkt, Inter-Psy niet mag houden aan de tussen hen gemaakte afspraken over de vergoeding van zorg.
4.16.
Tot slot is de voorzieningenrechter van oordeel dat tegen de achtergrond van wat hiervoor is overwogen over de motivering van het verlagen van het omzetplafond en de handhaving daarvan, ook het beroep van Inter-Psy op de contractuele afspraken over de ophoging van het omzetplafond geen doel treft, althans niet het door Inter-Psy met haar vorderingen beoogde doel. Ook als veronderstellende wijs wordt aangenomen dat aan de in het inkoopbeleid gehanteerde criteria voor ophoging van het omzetplafond is voldaan, wat Zilveren Kruis betwist, is onvoldoende aannemelijk dat het omzetplafond zou zijn teruggebracht naar het door Inter-Psy gewenste niveau. Dat Zilveren Kruis gehouden is om in dat geval een ophogingsverzoek volledig te honoreren blijkt niet uit de relevante contractuele bepalingen. Het valt ook niet goed te rijmen met de contracteervrijheid van Zilveren Kruis als zij bij de bepaling van de hoogte van het bedrag van de ophoging geen enkele speelruimte heeft en daarbij geen andere omstandigheden mag betrekken.
conclusie
Op grond van het voorgaande komt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat de primaire vorderingen van Inter-Psy die ertoe strekken dat Zilveren Kruis wordt veroordeeld om zonder enige beperking de door Inter-Psy geleverde zorg te vergoeden (vorderingen I. en II.) niet toewijsbaar zijn. Ook ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor toewijzing van de subsidiaire vordering (vordering III.), alleen al omdat Inter-Psy daarmee volledige toewijzing van haar ophogingsverzoek beoogd, terwijl de voorzieningenrechter als gezegd niet kan beoordelen of dat in dit geval gerechtvaardigd is.
beoordeling vorderingen IV. en V. (2026)
4.17.
Inter-Psy vordert primair dat Zilveren Kruis haar niet aan het voor 2026 overeengekomen omzetplafond mag houden, althans dat van een, al dan niet door partijen nader overeen te komen, hoger bedrag moet worden uitgegaan. Voor zover al kan worden aangenomen dat Inter-Psy een spoedeisend belang heeft bij die vordering, wat Zilveren Kruis betwist, geldt dat ook dan deze vordering niet toewijsbaar is. Gebruikelijk is dat bij de vaststelling van een omzetplafond in een overeenkomst voor een nieuw kalenderjaar het omzetplafond van het voorgaande kalenderjaar tot uitgangspunt wordt genomen. Dat is ook bij de vaststelling van het omzetplafond van 2026 gebeurd: bij die vaststelling is Zilveren Kruis uitgegaan van het omzetplafond voor 2025. De juistheid van het in 2025 gehanteerde plafond staat tussen partijen echter ter discussie. Hiervoor is vastgesteld dat die discussie in deze procedure niet volledig kan worden beslecht, omdat in dit kort geding niet kan worden beoordeeld wat in 2025 een redelijk omzetplafond zou zijn geweest. Dit brengt mee dat de voorzieningenrechter (ook) niet kan beoordelen in hoeverre het voor 2026 overeengekomen plafond niet redelijk is en van welk bedrag en/of welke voorwaarden partijen in 2026 dan wel uit zouden moeten gaan. Ook voor 2026 geldt, in het verlengde van de in 4.13 vermelde slotsom, dat van Zilveren Kruis wel verlangd kan worden dat ze ten minste in beweging (en aldus Inter-Psy tegemoet) komt.
4.18.
Subsidiair vordert Inter-Psy dat Zilveren Kruis een door haar in te dienen verzoek tot ophoging van het omzetplafond moet toewijzen als aan de door haar genoemde voorwaarden is voldaan. Met Zilveren Kruis is de voorzieningenrechter van oordeel dat deze vordering prematuur is en moet worden afgewezen vanwege het ontbreken van een spoedeisend belang. Op grond van de tussen partijen gesloten overeenkomst kan vanaf 1 mei tot en met 1 september een verzoek tot ophoging worden gedaan. De beoordeling van een dergelijk verzoek is niet alleen afhankelijk van de zorgvraag en de wachtlijstproblematiek, maar ook van andere ontwikkelingen die zich in de loop van het jaar voordoen. Daarop kan in dit kort geding niet vooruit worden gelopen.
Buitengerechtelijke kosten en proceskostenveroordeling
4.19.
De afwijzing van de vorderingen I. tot en met V. brengt met zich dat ook de vordering tot veroordeling van Zilveren Kruis in de buitengerechtelijke kosten moet worden afgewezen.
4.20.
Inter-Psy is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Zilveren Kruis worden begroot op:
- griffierecht € 10.487
- salaris advocaat € 1.177
- nakosten € 189 (plus de verhoging zoals vermeld in de
beslissing)
Totaal € 11.853
4.21.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
5.1.
wijst de vorderingen van Inter-Psy af;
5.2.
veroordeelt Inter-Psy in de proceskosten van € 11.853, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Inter-Psy niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Inter-Psy € 98 extra betalen, plus de kosten van betekening;
5.3.
veroordeelt Inter-Psy in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Pro Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
5.4.
verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Vetter en in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2026.
EI

Voetnoten

1.Gerechtshof Den Haag 14 oktober 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:2096
2.Hoge Raad 6 november 2015: ECLI:NL:HR:2015:3241