ECLI:NL:RBDHA:2026:661

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
16 januari 2026
Zaaknummer
NL25.51671
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • O. El Kadi
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 12, tweede lid, DublinverordeningArt. 17, eerste lid, DublinverordeningArt. 30, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000Art. 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen, omdat Polen verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn aanvraag op grond van de Dublinverordening. De rechtbank heeft het beroep op 2 december 2025 behandeld en beoordeelt of het besluit zorgvuldig tot stand is gekomen en of het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Polen kan worden toegepast.

De rechtbank oordeelt dat het besluit zorgvuldig is genomen. Eiser heeft de uitnodiging voor een gehoor ontvangen maar kon door eigen toedoen niet verschijnen. Hij kreeg alsnog de mogelijkheid om zijn bezwaren kenbaar te maken. Ten aanzien van Polen geldt het interstatelijk vertrouwensbeginsel, waarbij de minister mag uitgaan van de naleving van internationale verplichtingen door Polen. Eiser heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat Polen structureel tekortschiet in opvang of rechtsbescherming, of dat hij vanwege zijn Russische nationaliteit een reëel risico loopt op schending van artikel 3 EVRM Pro.

Ook is geen bijzondere individuele omstandigheid gesteld die toepassing van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening rechtvaardigt. De rechtbank volgt de jurisprudentie van het HvJ EU en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dat Polen zijn verplichtingen nakomt. Het beroep wordt ongegrond verklaard en eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.51671

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. F. Arslan),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. I. Lohmann-Kamphuis).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het besluit van de minister om eisers asielaanvraag niet in behandeling te nemen omdat Polen daarvoor verantwoordelijk is. Eiser is het hier niet mee eens en heeft hiertegen een aantal beroepsgronden aangevoerd. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het besluit van de minister om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen in stand kan blijven. Het besluit is zorgvuldig tot stand gekomen en de minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat ten aanzien van Polen van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Verder heeft de minister zich deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat geen toepassing hoeft te worden gegeven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Inleiding

2. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 21 oktober 2025 niet in behandeling genomen omdat Polen verantwoordelijk is voor de aanvraag.
2.1.
Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 2 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser (waargenomen door mr. E. Derksen) en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader
3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Bij de beoordeling welke lidstaat op grond van de toepasselijke criteria verantwoordelijk is voor behandeling van een door een vreemdeling bij een van de lidstaten ingediend asielverzoek, moet de minister uitgaan van het vermoeden dat de behandeling van een vreemdeling in de aangezochte lidstaat in overeenstemming is met de bepalingen van het EU Handvest, het Vluchtelingenverdrag en het EVRM. Dat vermoeden is weerlegbaar.
Het bestreden besluit
4. De minister heeft de asielaanvraag van eiser van 19 juli 2025 niet in behandeling genomen, omdat Polen verantwoordelijk is voor de behandeling van die aanvraag. [1] De Poolse autoriteiten hebben op 4 september 2025 het verzoek van Nederland om eiser over te nemen geaccepteerd. [2] Verder wijst de minister erop dat eiser, ondanks herhaalde mogelijkheden met COa [3] -ondersteuning, geen gebruik heeft gemaakt van een persoonlijk onderhoud c.q. gehoor. Het uitblijven daarvan komt door eisers eigen toedoen en komt voor zijn rekening en risico. Ook is de minister niet gebleken van bijzondere individuele omstandigheden die hadden moeten leiden tot toepassing van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening.
Is het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand gekomen?
5. Eiser betoogt dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen. [4] Daartoe voert hij in de gronden aan dat hij ten onrechte niet is gehoord over de Dublinclaim. Eiser stelt dat het onjuist is dat hij door de minister is opgeroepen voor een aanmeldgehoor op 22 en 26 augustus 2025. Ter zitting heeft eiser naar voren gebracht dat hij de uitnodiging voor het gehoor van 26 augustus 2025 wel heeft ontvangen, maar dat hij geen vervoer had naar de locatie van het gehoor. De minister heeft volgens eiser niet de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen vergaard. Het bestreden besluit is volgens eiser daarom op onzorgvuldige wijze tot stand gekomen en in strijd met de wet.
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit zorgvuldig tot stand is gekomen. De rechtbank stelt vast dat eiser ter zitting heeft verklaard dat hij de uitnodiging voor het gehoor op 22 augustus 2025 niet heeft ontvangen, maar die van 26 augustus 2025 wel, en dat voor die datum geen vervoer was geregeld, waardoor hij niet kon verschijnen. Ter zitting heeft de minister toegelicht dat het aan eiser is om contact op te nemen met het COa voor het regelen van vervoer. De minister heeft eiser in dit verband mogen tegenwerpen dat uit het dossier blijkt dat eiser in een eerdere fase contact heeft gehad over het regelen van vervoer naar een gehoor. Van eiser mocht daarom worden verwacht dat hij ook voor het gehoor van 26 augustus 2025 vervoer kon regelen. Tussen partijen is in ieder geval niet in geschil dat eiser de uitnodiging voor het gehoor van 26 augustus 2025 wel heeft ontvangen. De rechtbank volgt eiser daarom niet in zijn betoog dat de minister eiser ten onrechte niet zou hebben gehoord. Eiser heeft in ieder geval op 26 augustus 2025 de gelegenheid gehad om met ondersteuning van het COa naar de gehoorlocatie te reizen. Door eisers verwijtbaar nalaten heeft het gehoor zonder geldige reden geen doorgang gevonden. Desondanks is hij alsnog in de gelegenheid gesteld zijn bezwaren tegen de overdracht kenbaar te maken door middel van een zienswijze. De rechtbank is van oordeel dat de minister eiser voldoende gelegenheid heeft geboden om zijn bezwaren kenbaar te maken en dat het besluit niet onzorgvuldig tot stand is gekomen. De beroepsgrond slaagt niet.
Mag de minister ten aanzien van Polen uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?
6. Eiser betoogt dat de minister ten aanzien van Polen niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan uitgaan. Er zijn concrete aanwijzingen dat Polen zijn internationale verplichtingen niet zal nakomen. Daartoe verwijst eiser naar diverse bronnen [5] waaruit blijkt dat de rechtstaat (en ook de rechterlijke macht) in Polen onder druk staan en dat Amnesty International zorgen heeft geuit over de mensenrechtensituatie in Polen. Eiser voert aan dat Polen niet in staat is om asielzoekers opvang te bieden die voldoet aan de daarvoor geldende normen en dat sprake is van structurele tekortkomingen in zowel de opvang als de rechtsbescherming. Volgens eiser lopen asielzoekers bij terugkeer naar Polen daadwerkelijk het risico op straat te belanden en niet langer te kunnen voorzien in hun basisbehoeften zoals ‘bed, bad en brood’. Dit geldt voor eiser in het bijzonder vanwege zijn Russische nationaliteit. In Polen bestaat volgens hem publieke aversie tegen Russen door de oorlog in Oekraïne. Verder vreest eiser dat zijn Russische nationaliteit een reden voor Polen is om hem geen toegang te geven tot de asielprocedure. Daarnaast is er voor asielzoekers slechts beperkte toegang tot informatie, ontbreekt het aan hygiëne, hebben zij nauwelijks privacy en is medische zorg voor hen niet beschikbaar. Eiser betoogt dat hij een reëel risico loopt om na overdracht aan Polen terecht te komen in een situatie die in strijd is met artikel 4 van Pro het EU Handvest en artikel 3 van Pro het EVRM. [6]
6.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister er terecht op heeft gewezen dat als algemeen uitgangspunt geldt dat Polen zijn verdragsverplichtingen nakomt. De minister kan alleen tot de conclusie komen dat een lidstaat zijn internationale verplichtingen niet nakomt als de vreemdeling in de verantwoordelijke lidstaat een reëel risico loopt op een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van Pro het EU Handvest en artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening. Bij deze beoordeling is het arrest Jawo van belang. [7] Hierin zijn de criteria beschreven waarmee lidstaten kunnen beoordelen of tekortkomingen onder artikel 4 van Pro het EU Handvest en artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening vallen. Hiervoor moeten de tekortkomingen een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft in haar uitspraak van 14 augustus 2025 [8] geoordeeld dat ten aanzien van Polen van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De rechtbank volgt dit oordeel en overweegt dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser ook met zijn verwijzing naar een aantal artikelen, waaronder het artikel van Amnesty International van 2 juni 2025, niet aannemelijk heeft gemaakt dat ten aanzien van Polen niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Uit hetgeen eiser heeft aangevoerd blijkt niet dat de Poolse autoriteiten structureel tekortschieten in de opvang of rechtsbescherming van asielzoekers. Er zijn geen aanwijzingen dat asielzoekers in Polen geen rechtsmiddel zouden kunnen instellen of dat de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht zodanig onder druk staat dat dit gevolgen heeft voor hun rechtspositie. Eiser heeft bovendien zijn stelling dat hij bij overdracht naar Polen niet zou kunnen voorzien in zijn basisbehoeften niet met concrete en objectieve gegevens onderbouwd en dus niet aannemelijk gemaakt dat de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid is bereikt of dat sprake is van structurele tekortkomingen in de asielprocedure in Polen. Eiser heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat hij vanwege zijn Russische nationaliteit geen toegang zal krijgen tot de asielprocedure. Daarbij wordt overwogen dat een vreemdeling zich bij voorkomende problemen kan wenden tot de autoriteiten van Polen of de daartoe aangewezen instanties in Polen. Het ligt daarbij op de weg van eiser om aannemelijk te maken de opvangcondities zodanig slecht zijn dat sprake is van een reëel risico op een artikel 3 EVRM Pro schending, zodat niet langer mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
De rechtbank oordeelt dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser daarin niet is geslaagd en dat de Poolse autoriteiten met het claimakkoord hebben gegarandeerd het asielverzoek van eiser in behandeling te nemen met inachtneming van de Europese regelgeving. [9] De rechtbank acht daarom niet aannemelijk dat eiser een reëel risico loopt op een behandeling die in strijd is met artikel 4 van Pro het EU Handvest of artikel 3 van Pro het EVRM. De beroepsgrond slaagt niet.
Had de minister de asielaanvraag in behandeling moeten nemen op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening?
7. Eiser betoogt dat de minister zijn asielaanvraag op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening in behandeling had moeten nemen vanwege zijn Russische nationaliteit en de publieke aversie tegen Russen in Polen vanwege de oorlog in Oekraïne.
7.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eiser geen bijzondere individuele omstandigheden heeft aangevoerd waaruit volgt dat de minister aanleiding had moeten zien om de asielaanvraag op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening in behandeling te nemen. De rechtbank heeft onder 6.1 reeds overwogen dat Polen, gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, met het claimakkoord heeft gegarandeerd dat het asielverzoek van eiser in behandeling zal worden genomen met inachtneming van de Europese regelgeving. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en geen vergoeding krijgt van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. O. El Kadi, rechter, in aanwezigheid van mr. R.C. Lubbers, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.De minister verwijst naar artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
2.Op grond van artikel 12, tweede lid, van de Dublinverordening.
3.Centraal Orgaan opvang asielzoekers.
4.In de zin van artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
5.‘Polen tussen Europese rechtsnormen en politieke blokkade’, artikel van 7 juli 2025, Montesquieu Instituut; ‘De uitholling van de rechtsstaat terugdraaien is nagenoeg onmogelijk, blijkt in Polen’, artikel van 25 januari 2025, Volkskrant; ‘Poolse democratie en rechtsstaat onder druk’, artikel op de website De Nederlandse Grondwet (geen datum genoemd); ‘Nieuwe Poolse president moet mensenrechten centraal stellen’, artikel van 2 juni 2025, Amnesty International.
6.HvJEU arrest Jawo van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218, punten 91-93.
7.HvJEU arrest Jawo van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218, punten 80-81.
8.ABRvS van 14 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3800 en recent bevestigd in ABRvS van 27 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5145.
9.ABRvS van 19 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1563.