ECLI:NL:RVS:2025:3800
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag vanwege Dublinverordening
Betrokkene, met de Syrische nationaliteit, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister van Asiel en Migratie nam deze aanvraag niet in behandeling omdat op grond van de Dublinverordening Polen verantwoordelijk zou zijn voor de asielprocedure. De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene gegrond en vernietigde het besluit van de minister, waarbij zij bepaalde dat een nieuw besluit moest worden genomen.
De minister stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De kern van het geschil betrof de vraag of het interstatelijk vertrouwensbeginsel nog kon worden toegepast ten aanzien van Polen, gezien nieuwe wetgeving en politieke uitlatingen die de naleving van internationale verplichtingen door Polen in twijfel trokken. De rechtbank had geoordeeld dat de minister onvoldoende onderzoek had gedaan naar de situatie in Polen.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de nieuwe Poolse wetgeving alleen betrekking heeft op asielverzoeken aan de grens met Belarus en niet op Dublinclaimanten die gecontroleerd worden overgedragen. Ook vond de Afdeling dat de politieke uitlatingen onvoldoende waren om het vertrouwensbeginsel te verwerpen. De minister had derhalve voldoende gemotiveerd dat het vertrouwensbeginsel nog van toepassing was en was niet verplicht nader onderzoek te doen.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep van de minister gegrond en vernietigde de uitspraak van de rechtbank. Omdat de overdrachtstermijn aan Polen was verstreken, moest de minister de asielaanvraag alsnog in behandeling nemen. Hierdoor had betrokkene geen belang meer bij haar beroep, dat daarom niet-ontvankelijk werd verklaard.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat de asielaanvraag alsnog in behandeling moet worden genomen.