ECLI:NL:RBDHA:2026:662

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 januari 2026
Publicatiedatum
16 januari 2026
Zaaknummer
NL24.43965
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag machtiging tot voorlopig verblijf voor verblijf als familie- of gezinslid

Deze uitspraak betreft de afwijzing van de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor het doel ‘verblijf als familie- of gezinslid’ bij haar oom, die in Nederland woont. Eiseres, van Turkse nationaliteit, is het niet eens met de afwijzing van haar aanvraag door de minister van Asiel en Migratie. De rechtbank heeft de zaak op 24 oktober 2025 behandeld, waarbij de gemachtigden van zowel eiseres als de minister aanwezig waren. De rechtbank oordeelt dat de afwijzing van de aanvraag in stand kan blijven, omdat eiseres niet voldoende heeft aangetoond dat er sprake is van een familierechtelijke relatie en bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen haar en referent. De minister heeft de aanvraag afgewezen op basis van het feit dat er geen bewijs is van een dergelijke relatie en dat er geen sprake is van familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. De rechtbank concludeert dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen bijkomende elementen van afhankelijkheid zijn, en dat eiseres niet in haar verzoek kan worden ontvangen. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, wat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en geen griffierecht of proceskostenvergoeding ontvangt.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.43965

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 januari 2026 in de zaak tussen

[eiseres], v-nummer: [nummer], eiseres

(gemachtigde: mr. I. Petkovski),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. J.D. Albarda).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor het doel ‘verblijf als familie- of gezinslid’ bij haar oom (referent). Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de aanvraag in stand kan blijven. Eiseres krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft een mvv-aanvraag ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 3 augustus 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 11 oktober 2024 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 24 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Achtergrond van de aanvraag
3. Eiseres heeft aan haar mvv-aanvraag het volgende ten grondslag gelegd. Zij heeft de Turkse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum 1] 2000. Eiseres stelt een nicht van referent te zijn. Referent heeft de Nederlandse en Turkse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum 2] 1966. Referent heeft al enige tijd een aantal gezondheidsproblemen, waardoor hij niet goed in staat is om voor zichzelf te zorgen. In Nederland heeft hij geen familie of netwerk die hem kan ondersteunen. Eiseres wil in Nederland bij referent verblijven om als mantelzorger de persoonlijke verzorging van referent op zich te nemen.
Het bestreden besluit
4. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat eiseres de familierechtelijke relatie tussen haar en referent niet heeft aangetoond. Maar zelfs als de familierechtelijke relatie wel zou zijn aangetoond, dan zou er geen sprake zijn van familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM tussen eiseres en referent. Uit de door eiseres overgelegde documenten is namelijk niet gebleken van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen hen.
5. De rechtbank stelt vast dat uit het voorgaande blijkt dat de minister – in tegenstelling tot wat eiseres in haar beroepsgronden concludeert – de familierechtelijke relatie tussen eiseres en referent niet aangetoond acht. Omdat de minister ook inhoudelijk heeft beoordeeld of er sprake is van familie- en gezinsleven en dat het primaire geschilpunt is, zal de rechtbank zich eerst buigen over de vraag of de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat er tussen eiseres en referent geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid.
Heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat er geen bijkomende elementen van afhankelijkheid zijn tussen eiseres en referent?
6. Eiseres voert aan dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat er geen bijkomende elementen van afhankelijkheid zijn tussen haar en referent. Referent is voor zijn persoonlijke verzorging aangewezen op eiseres, nu hij geen beroep kan doen op familieleden of zorginstellingen in Nederland. Verder blijkt uit de brief van zorginstelling Dimence van 6 december 2023 dat referent wantrouwend is richting zorgpersoneel, en dat de lichamelijke en geestelijke toestand van referent zal verbeteren door de mantelzorg die eiseres kan verrichten. De minister had de brief niet terzijde mogen schuiven enkel omdat hij een aantal kanttekeningen had bij wat daarin staat, aangezien Dimence deskundig is op dit gebied. De minister had eiseres bovendien de gelegenheid moeten te geven zich daarover nader uit te laten dan wel Dimence te vragen om een nadere reactie. Verder is het voor het bestaan van bijkomende elementen van afhankelijkheid niet vereist dat eiseres en referent hebben samengewoond. Dat is slechts één element dat moet worden meegewogen.
6.1.
Volgens vaste jurisprudentie van het Europees Hof voor de rechten van de mens (EHRM) is voor de vaststelling van beschermenswaardig familie- of gezinsleven tussen volwassen familieleden vereist dat er bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan, zodat sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie. [1] Hierbij kunnen de volgende elementen van belang zijn: of de familieleden hebben samengewoond, de mate van financiële afhankelijkheid, de mate van emotionele afhankelijkheid, de medische omstandigheden, de banden met het land van herkomst en of de gezinsleden in het land van herkomst behoorden tot hetzelfde gezin. Het is aan de betrokken vreemdeling om te stellen, en zoveel mogelijk te onderbouwen, uit welke feiten en omstandigheden de bijkomende elementen van afhankelijkheid zouden kunnen blijken. Het is vervolgens aan de minister om te beoordelen of daadwerkelijk bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan. Deze beoordeling is van feitelijke aard. De bestuursrechter moet het onderzoek van de minister naar de relevante feiten en omstandigheden en de door de minister gegeven motivering volledig toetsen. De uitkomst van de beoordeling of er bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan toetst de bestuursrechter echter enigszins terughoudend. [2]
6.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiseres en referent. De minister heeft hierbij mogen betrekken dat eiseres en referent nooit met elkaar hebben samengewoond. Referent was immers al in Nederland toen eiseres geboren werd. Ook is niet gesteld of gebleken dat er tussen eiseres en referent sprake is van enige mate van financiële afhankelijkheid. Dat eiseres sinds het overlijden van haar vader meer contact met referent heeft gehad, is onvoldoende om tegen het voorgaande op te wegen. De brief van Dimence maakt dit ook niet anders. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat uit die brief onvoldoende blijkt dat alleen eiseres de benodigde zorg zou kunnen verlenen aan referent. Dat de gezondheid van referent door de komst van eiseres zal verbeteren, is een voorzichtig opgeschreven vermoeden van Dimence, waar geen medische onderbouwing bij is gegeven. Eiseres heeft de hulp en ondersteuning die referent nodig heeft ook nog nooit gegeven, zodat niet met zekerheid te zeggen is of de gezondheid van referent zal verbeteren. Dat referent in het verleden zorg vanuit de WMO heeft ontvangen die hem niet beviel en hij daarom graag hulp en ondersteuning zou willen krijgen van eiseres, heeft de minister ook onvoldoende mogen vinden. Dat referent – ook gezien zijn gezondheidssituatie – graag mantelzorg wil ontvangen van zijn nicht, maakt ook niet dat niet van hem kan worden verlangd dat hij hulp van anderen dan directe familieleden accepteert. De minister heeft er ook terecht op gewezen dat er in Nederland voldoende andere opties beschikbaar zijn voor het regelen van meer intensieve zorg en verzorging. Hoewel het enigszins losstaat van de vraag of sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid heeft de minister ook kunnen opmerken dat er geen objectieve belemmering is voor referent om naar Turkije te verhuizen als hij door familie verzorgd wil worden. Referent heeft immers zowel de Turkse als de Nederlandse nationaliteit. Op de zitting heeft de gemachtigde van eiseres naar voren gebracht dat referent niet naar Turkije toe wil, maar dat enkele gegeven betekent niet dat de minister eiseres een verblijfsvergunning moet verlenen om bij referent te verblijven in Nederland.
Heeft eiseres de familierechtelijke relatie tussen haar en referent aannemelijk gemaakt?
7. Gelet op wat onder 6.2 is overwogen, laat de rechtbank een oordeel over de aannemelijkheid van de familierechtelijke relatie tussen eiseres en referent achterwege.
Had de minister eiseres/referent moeten horen?
8. Eiseres betoogt dat de minister haar en referent had moeten horen in bezwaar. Van een kennelijk ongegrond bezwaar was geen sprake. Eiseres heeft de feitelijke situatie voldoende naar voren gebracht en heeft aangegeven dat er op bepaalde punten meer bewijs zou worden overgelegd. Een hoorzitting had verduidelijking kunnen bieden.
8.1.
Uit rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) [3] volgt dat de minister slechts van het horen in bezwaar kan afzien als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat het in bezwaar aangevoerde niet tot een ander standpunt kan leiden. Ook is van belang hoe de vreemdeling zich heeft opgesteld in de bezwaarprocedure. Als een vreemdeling actief inspanningen heeft verricht om informatie te leveren en met de minister heeft gecommuniceerd om informatie naar boven te krijgen, bestaat er meer aanleiding om hem te horen.
8.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat hij eiseres en/of referent niet heeft hoeven horen. De minister heeft er – gelet op wat onder 6.2 is overwogen – namelijk redelijkerwijs geen twijfel over hoeven hebben dat het bezwaar ongegrond was, aangezien eiseres in bezwaar geen nieuwe of relevante feiten of omstandigheden naar voren had gebracht. De minister heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat de in bezwaar overgelegde brief van Dimence van 6 december 2023 geen verandering zou brengen in de conclusie dat er geen sprake is van familie- of gezinsleven tussen eiseres en referent. Daarnaast heeft eiseres nagelaten om de door haar overgelegde stukken ter onderbouwing van de familierechtelijke relatie te laten vertalen, terwijl in het aanvraagformulier uitdrukkelijk is gewezen op het belang daarvan. [4] Eiseres heeft geen verklaring gegeven voor waarom zij dit niet gedaan heeft. Ook heeft eiseres in bezwaar aangekondigd aanvullende stukken te zullen overleggen, maar dat heeft zij niet gedaan. Verder heeft eiseres in de bezwaarfase niet om een hoorzitting verzocht, terwijl zij werd bijgestaan door een professionele rechtsbijstandsverlener, en heeft zij bovendien niet onderbouwd wat zij naar voren had willen brengen tijdens een hoorzitting.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Lange, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.EHRM 17 februari 2009, ECLI:CE:ECHR:2009:0217JUD002731907
2.ABRvS 4 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1003 en ABRvS 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188.
3.ABRvS 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.
4.Zie het formulier “Aanvraag voor het verblijfsdoel ‘familie en gezin’(referent)”, pagina 5.