Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:6630

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 maart 2026
Publicatiedatum
26 maart 2026
Zaaknummer
AWB 26/2656
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 4 Handvest van de grondrechten van de Europese UnieArt. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 3:2 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening toegewezen tegen beëindiging LVV-opvang kwetsbare vreemdeling

Verzoeker, een vreemdeling van Malinese nationaliteit, kreeg langdurig opvang in het kader van de Landelijke Vreemdelingenvoorzieningen (LVV) in Amsterdam. De minister beëindigde deze opvang per 25 september 2024, waarna verzoeker bezwaar maakte. Na een periode van vreemdelingenbewaring keerde verzoeker terug en kreeg tijdelijke opvang via de koude-regeling en een overbruggingsbed tot 19 maart 2026.

Verzoeker verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening die de minister verplicht tot het hervatten van opvang of vergoeding van kosten aan de gemeente Amsterdam. De minister voerde aan dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen had en dat er geen schending was van artikel 3 EVRM Pro of artikel 4 Handvest Pro, mede omdat er diverse regelingen en medische voorzieningen beschikbaar zijn.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het bezwaar wel een redelijke kans van slagen heeft, omdat de minister onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de gevolgen van het beëindigen van de opvang voor deze kwetsbare persoon. De situatie van verzoeker wordt gezien als een vicieuze cirkel van tijdelijke opvang en terugkeer op straat, wat mogelijk onmenselijke behandeling oplevert.

De voorzieningenrechter stelde vast dat de belangen van verzoeker zwaarder wegen dan die van de minister en wees het verzoek om een voorlopige voorziening toe. De minister wordt opgedragen de opvang te hervatten en te voorzien in de meest elementaire behoeften tot zes weken na de beslissing op bezwaar. Tevens werd de minister veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De voorzieningenrechter wijst de voorlopige voorziening toe en beveelt de minister de opvang te hervatten tot zes weken na de beslissing op bezwaar.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 26/2656
[v nummer]

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker] ,

geboren op [geboortedag] 1997, van Malinese nationaliteit, verzoeker,
(gemachtigde: mr. W.G. Fischer),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. N. Mikolajczyk).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek van verzoeker om een voorlopige voorziening. Bij brief van 21 oktober 2024 heeft de Regiegroep Ongedocumenteerden Amsterdam verzoeker namens de gemeente Amsterdam medegedeeld dat de deelname aan de pilot Landelijke Vreemdelingenvoorzieningen (LVV) Amsterdam op 25 september 2024 is beëindigd en dat hij de opvang uiterlijk op 4 november 2024 moet verlaten.
1.1.
Verzoeker heeft tegen het besluit bezwaar gemaakt. Op dit bezwaar is nog niet beslist.
1.2.
Op 25 augustus 2025 is verzoeker in vreemdelingenbewaring genomen en op 5 februari 2026 is hij weer vrijgelaten en teruggekeerd naar Amsterdam. Verzoeker heeft vervolgens opvang gekregen op grond van de koude-regeling in Amsterdam.
1.3.
Vervolgens heeft de Regenbooggroep verzoeker op 6 maart 2026 een zogenaamd “overbruggingsbed” aangeboden voor twee weken. Dat bed kan hij beslapen tot 19 maart 2026.
1.4.
Op 15 februari 2026 heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat dat de minister onmiddellijk opvang
biedt althans aan de gemeente Amsterdam de kosten vergoedt.
1.5.
Op 4 maart 2026 heeft de minister op verzoek van de voorzieningenrechter een verweerschrift ingediend. Verzoeker heeft hier 9 maart 2026 op gereageerd.
1.6.
De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Awb [1] uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

Ten aanzien van het griffierecht
2. Verzoeker heeft verzocht om vrijstelling van de verplichting om griffierecht te betalen wegens betalingsonmacht. De voorzieningenrechter wijst dit verzoek toe, zodat verzoeker in deze zaak geen griffierecht hoeft te betalen.
Ten aanzien van het verzoek
3. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed dat gelet op de betrokken belangen vereist.
4. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker een spoedeisend belang heeft bij de door hem gevraagde voorziening. Verzoeker heeft in zijn reactie op het verweerschrift aangegeven dat hij het zogenaamde “overbruggingsbed” kan beslapen tot 19 maart 2026. Dit betekent dat verzoeker hierna op straat zal belanden.
5. De minister stelt zich op het standpunt dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft en het verzoek daarom behoort te worden afgewezen. Verzoeker vertoont vermijdingsgedrag en weigert in gesprek te gaan over terugkeer. Op basis hiervan heeft het LSO [2] het college geadviseerd om de opvang in de LVV gemeente Amsterdam voor verzoeker te beëindigen per 25 september 2024. Hierbij is rekening gehouden met de door verzoeker naar voren gebrachte (medische) klachten. Het besluit tot beëindiging van de deelname aan de LVV berust daarmee op een zorgvuldige individuele beoordeling.
5.1.
Verder stelt de minister dat de verwijzing van verzoeker naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 22 augustus 2025 niet overeenkomt met onderhavige zaak omdat de gestelde medische problematiek van verzoeker niet is onderbouwd. Wat betreft de gestelde schending van artikel 4 van Pro het Handvest [3] stelt de minister zich op het standpunt dat er geen sprake is van schending van artikel 4 van Pro het Handvest in het geval van verzoeker. In de kern stelt de minister zich op het standpunt dat vaste rechtspraak van het HvJEU [4] en het EHRM [5] is dat op de lidstaten in beginsel geen verplichting rust om woonruimte of medische en sociale voorzieningen aan te bieden aan volwassen vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf of recht op rijksopvang. [6] Verder volgt uit onder andere het arrest Changu [7] dat dit artikel slechts wordt geschonden indien sprake is van onverschilligheid van de autoriteiten van een lidstaat ten aanzien van een persoon die volledig afhankelijk is van overheidssteun, die buiten zijn wil en zijn persoonlijke keuzen terecht zou komen in een toestand van verregaande materiële deprivatie. De minister stelt dat daar in het geval van verzoeker geen sprake van is nu de minister zich niet onverschillig heeft gedragen tegenover verzoeker en wordt voldaan aan de minimumvereisten die worden gesteld door het HvJEU en het EHRM. Zo is er het aanbod in de VBL [8] , inclusief de voorwaarde van medewerking aan terugkeer. Daarnaast is er de mogelijkheid om een buitenschuldvergunning aan te vragen, kan worden verzocht om uitstel van vertrek wegens medische redenen (artikel 64 van Pro de Vw [9] ) en voorziet artikel 10 van Pro de Vw in overeenstemming met artikel 14 van Pro de Terugkeerrichtlijn [10] in aanspraak op medisch noodzakelijke zorg. Daarnaast is in het kader van de LVV langdurig onderdak verstrekt en is aan verzoeker medische behandeling aangeboden. De deelname aan de LVV is, rekening houdend met zijn persoonlijke omstandigheden, meermalen verlengd en er is alles aan gedaan om hem te bewegen medewerking te verlenen aan terugkeer.
6. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft het bezwaar een redelijke kans van slagen. Daarbij verwijst de voorzieningenrechter naar de uitspraak [11] van deze rechtbank en zittingsplaats van 26 mei 2025. Van belang is dat het bestreden besluit een belastend besluit is waarvan een belangrijk rechtsgevolg is dat verzoeker de lang genoten opvang in de LVV van de gemeente Amsterdam wordt ontnomen. Het is dan aan de minister om op grond van artikel 3:2 van Pro de Awb actief kennis te vergaren over de relevante feiten en de af te wegen belangen en op grond daarvan te motiveren wat het gevolg is van het besluit voor verzoeker, waarbij onder meer de vraag is of wordt voldaan aan de vereisten van artikel 3 van Pro het EVRM [12] . Daarbij dient de minister alle twijfel weg te nemen over een mogelijke schending van artikel 3 van Pro het EVRM. Met de enkele verwijzing naar het bestaan van de VBL, de mogelijkheid van een aanvraag van een buitenschuldvergunning dan wel artikel 64 van Pro de Vw en de constatering dat het met verzoeker op het moment dat hij in de LVV zat medisch goed (genoeg) ging, heeft de minister zich niet van deze opdracht gekweten. De minister had immers dienen te onderzoeken wat de gevolgen zijn voor verzoeker, die als kwetsbaar moet worden gezien nu de gemeente Amsterdam hem feitelijk opvang bleef verlenen, indien de opvang wordt beëindigd.
7. De voorzieningenrechter overweegt voorts dat verzoeker thans in de noodopvang van de Regenbooggroep verblijft. Uit het schrijven van [persoon] van het Wereldhuis volgt dat deze tijdelijke opvang noodzakelijk was om verdere fysieke en psychische achteruitgang tegen te gaan. De tijdelijke noodopvang duurt tot 19 maart 2026, waarna verzoeker weer op straat komt te staan. Omdat het recente verleden heeft laten zien dat verzoeker het in zijn eentje op straat niet redt, is het een kwestie van tijd voordat verzoeker weer tijdelijke opvang zal moeten worden geboden om verdere achteruitgang tijdelijk tegen te gaan. Waarna verzoeker weer alleen op straat komt te staan et cetera, et cetera. De voorzieningenrechter ziet de situatie waar verzoeker in verkeert aldus als een vicieuze cirkel, waarbij de vraag zich aandringt of daarmee geen sprake is van een onmenselijke behandeling als bedoeld in artikel 3 van Pro het EVRM. Verzoeker heeft in ieder geval groot belang bij het verlaten van deze cirkel en de voorzieningenrechter stelt vast dat de minister daarin tot op heden geen verantwoordelijkheid neemt.
8. De voorzieningenrechter is, tot slot, van oordeel dat de belangen van de minister per definitie niet op kunnen wegen tegen de belangen van verzoeker om niet onder de grens van artikel 3 van Pro het EVRM te zakken. Dit geldt temeer nu de minister al heel lang doet over het nemen van een besluit.

Conclusie en gevolgen

9. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe. Dat betekent dat de minister ervoor zorg moet dragen dat de opvang wordt hervat, waarbij in ieder geval zal worden voorzien in de meest elementaire behoeften van verzoeker (bed, bad en brood) tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar van verzoeker.
10. De voorzieningenrechter veroordeelt de minister in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.401,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 0,5 punt voor het indienen van de reactie op het verweerschrift met een waarde per punt van € 934,-, bij een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • wijst de gevraagde voorziening toe;
  • draagt de minister op dat hij ervoor zorgdraagt dat de opvang wordt hervat, waarbij in ieder geval zal worden voorzien in de meest elementaire behoeften van verzoeker (bed, bad en brood) tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar van verzoeker;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van
€ 1.401,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, voorzieningenrechter, in aanwezigheid
van mr. K. Mertens, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 13 maart 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
griffier
rechter

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Algemene wet bestuursrecht.
2.Lokaal samenwerkingsoverleg.
3.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
4.Hof van Justitie van de Europese Unie.
5.Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
6.Zie het arrest van het EHRM van 5 juli 2016, ECLI:CE:ECHR:2016:0705DEC001793116 (Hunde), rechtsoverwegingen 49-51.
7.Arrest van het HvJEU van 12 september 2024, ECLI:EU:C:2024:748.
8.Vrijheidsbeperkende locatie.
9.Vreemdelingenwet 2000.
10.Richtlijn 2008/115/EG.
12.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.