ECLI:NL:RBDHA:2026:6643
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling terugkeerbesluit minister inzake tijdelijke bescherming derdelander uit Oekraïne
Deze bestuursrechtelijke zaak betreft het terugkeerbesluit van de minister van Asiel en Migratie aan een derdelander met de Marokkaanse nationaliteit die vanuit Oekraïne naar Nederland is gekomen vanwege de invasie van februari 2022. De eiser had rechtmatig verblijf op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB).
De minister legde op 21 februari 2024 een terugkeerbesluit op dat per 4 maart 2024 het verblijfsrecht beëindigde. Dit besluit werd door de minister op 7 augustus 2025 vervangen door een nieuw terugkeerbesluit, omdat het eerdere besluit prematuur was genomen. De minister trok het eerste besluit in en stelde dat het verblijfsrecht per 4 maart 2024 was geëindigd.
De rechtbank oordeelt dat het beroep tegen het ingetrokken besluit niet-ontvankelijk is en dat het beroep tegen het vervangende besluit ongegrond is. De rechtbank volgt de minister in de uitleg dat de tijdelijke bescherming van eiser rechtsgeldig is beëindigd op 4 maart 2024 en dat het terugkeerbesluit van 7 augustus 2025 niet prematuur is. De voorlopige voorziening die eiser aanvoert, verhindert het opleggen van het terugkeerbesluit niet.
De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiser wegens het prematuur genomen eerste besluit. Het beroep wordt afgewezen en eiser moet binnen de gestelde termijn terugkeren naar Marokko.
Uitkomst: Het beroep tegen het vervangende terugkeerbesluit is ongegrond verklaard en het eerdere terugkeerbesluit is ingetrokken, waardoor eiser moet terugkeren naar Marokko.