ECLI:NL:RBDHA:2026:6654
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling terugkeerbesluit minister inzake tijdelijke bescherming Oekraïense derdelander
Eiser, een Indiase derdelander die vanwege de invasie in Oekraïne naar Nederland kwam en tijdelijk bescherming genoot, werd geconfronteerd met een terugkeerbesluit van de minister van Asiel en Migratie. De minister legde op 7 februari 2024 een terugkeerbesluit op, dat later werd ingetrokken en vervangen door een besluit van 21 juli 2025. Eiser stelde beroep in tegen beide besluiten.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het ingetrokken besluit niet-ontvankelijk en beoordeelde inhoudelijk het vervangende besluit. Eiser voerde aan dat het terugkeerbesluit niet opgelegd kon worden vanwege toezeggingen en het vertrouwensbeginsel, verwijzend naar het arrest Kaduna en Abkez en uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De rechtbank oordeelde dat de Afdeling het vereiste onderzoek naar toezeggingen wel degelijk had verricht en dat er geen sprake was van een innerlijke tegenstrijdigheid in de uitspraken. De minister had geen toezeggingen gedaan die het terugkeerbesluit zouden verhinderen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het terugkeerbesluit bleef in stand. Eiser moet terugkeren naar India binnen de gestelde termijn.
Daarnaast werd de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiser wegens het prematuur nemen van het eerste besluit. De rechtbank wees ook op het vervallen van een eerdere voorziening die uitzetting tijdelijk verbood.
Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit is ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.