ECLI:NL:RBDHA:2026:6660
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling terugkeerbesluit minister inzake tijdelijke bescherming derdelander Oekraïne
Eiseres, een derdelander uit Oekraïne met Marokkaanse nationaliteit, had rechtmatig verblijf in Nederland op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB). De minister legde op 7 februari 2024 een terugkeerbesluit op, dat later op 7 juli 2025 werd ingetrokken en vervangen door een nieuw terugkeerbesluit. Eiseres betwistte dit besluit en voerde onder meer strijdigheid met het gelijkheidsbeginsel en vertrouwensbeginsel aan.
De rechtbank oordeelt dat het terugkeerbesluit van 7 juli 2025 rechtmatig is, mede gelet op het arrest Kaduna en Abkez van het Hof van Justitie van de EU, waarin is bevestigd dat facultatieve tijdelijke bescherming eerder kan worden beëindigd zonder afbreuk te doen aan de doelstellingen van de RTB. De rechtbank stelt vast dat de minister geen toezeggingen heeft gedaan die een gelijkwaardige behandeling van facultatief en verplicht beschermden garanderen.
Verder overweegt de rechtbank dat de minister bij het opleggen van het terugkeerbesluit voldoende rekening heeft gehouden met het privéleven van eiseres, zoals vereist door artikel 5 van Pro de Terugkeerrichtlijn en artikel 8 EVRM Pro. De rechtbank wijst erop dat de RTB geen verblijfsrecht verleent en dat eiseres een afzonderlijke aanvraag kan indienen indien zij zich beroept op het recht op familie- of privéleven.
Het beroep tegen het besluit van 7 februari 2024 wordt niet-ontvankelijk verklaard vanwege intrekking van dat besluit. Het beroep tegen het besluit van 7 juli 2025 wordt ongegrond verklaard. De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van €934,- wegens de prematuur genomen intrekking van het eerdere besluit.
Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit van 7 juli 2025 wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.